Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09-2987 WWB + 09-3917 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit niet langer gehandhaafd. Ontheffing van de verplichting om medewerking te verlenen aan de arbeidsinschakeling of sociale activering. Tegemoetgekomen aan bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2987 WWB

09/3917 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2009, 08/3477 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 mei 2010. Partijen, waarvan het College met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt al geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van

30 mei 2006 is appellant door het College op medische gronden tot 27 april 2009 ontheven van de verplichting om actief te solliciteren. Daarbij is de zogeheten passieve sollicitatieplicht, zoals uitgewerkt in een aangehechte bijlage, gehandhaafd. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het College het tegen de gehandhaafde verplichtingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 11 maart 2008 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 augustus 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

1.2. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen en daarbij - voor zover hier van belang - de bezwaren van appellant ten aanzien van de termijn van vrijstelling van de actieve sollicitatieplicht gegrond verklaard en deze termijn verlengd tot de dag waarop appellant de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het College het besluit van 23 juli 2008 in zoverre herzien dat appellant tevens tot 27 april 2009 is ontheven van de verplichting om medewerking te verlenen aan de arbeidsinschakeling of sociale activering. De verplichting om medewerking te verlenen aan een keuring, gericht op het vaststellen van de arbeidsmogelijkheden van appellant na 27 april 2009, bleef daarbij gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 juli 2008, zoals aangevuld bij besluit van 3 maart 2009, ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

3.1. Hangende het hoger beroep tegen deze uitspraak heeft het College bij besluit van

9 juli 2009 de gemaakte bezwaren tegen het besluit van 23 juli 2008, zoals nadien gewijzigd, alsnog gegrond verklaard met dien verstande dat appellant tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd tevens is ontheven van de onder 1.3 bedoelde medewerkingsverplichting. Tevens is daarbij de eerder opgelegde verplichting om medewerking te verlenen aan een keuring komen te vervallen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College zijn eerder bij het besluit van 23 juli 2008, zoals nadien gewijzigd, ingenomen standpunt ten aanzien van de medewerkings- en keuringsverplichting na het instellen van hoger beroep door appellant niet heeft gehandhaafd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en dat het besluit van 23 juli 2008, zoals nadien gewijzigd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voor zover daarbij de eerder opgelegde verplichtingen nog zijn gehandhaafd.

4.2. Voor zover het beroep mede geacht moet worden te zijn gericht tegen het nadere besluit van 9 juli 2009 oordeelt de Raad dat hij appellant niet kan volgen in zijn standpunt dat daarmee niet volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Dat appellant als gevolg van de besluitvorming door het College enige in aanmerking te nemen schade zou hebben geleden, is door hem op geen enkele wijze onderbouwd. Het beroep tegen het nadere besluit van 9 juli 2009 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2008, zoals nadien gewijzigd, gegrond;

Vernietigt dat besluit voor zover daarbij eerder opgelegde verplichtingen nog zijn gehandhaafd;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2009 ongegrond;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

AV