Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-4146 WWB + 08-4147 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenbehandelingstelling aanvraag, omdat appellanten niet uiterlijk op 27 februari 2007 de gevraagde gegevens hebben overgelegd. Het ligt op de weg van de appellanten om de gevraagde gegevens - zonodig zelf op te vragen en - over te leggen en eveneens om zo nodig binnen de gegeven hersteltermijn het College om verlenging van de termijn te verzoeken. Het een noch het ander is in dit geval gebeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4146 WWB

08/4147 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juni 2008, 07/3381 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben zich op 9 januari 2007 bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) gemeld teneinde een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in te dienen. Bij brief van 14 februari 2007 heeft het College appellanten verzocht om vóór 21 februari 2007 ontbrekende gegevens, waaronder de beschikkingen Voorlopige Teruggave van de Belastingdienst over 2006 en 2007, de polis Reaal verkeerspakket [nummer] en de polis [naam polis], over te leggen. Bij brief van 21 februari 2007 heeft het College appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld de reeds bij brief van 14 februari 2007 gevraagde gegevens vóór 28 februari 2007 aan te leveren. In beide brieven zijn appellanten erop gewezen dat het niet tijdig verstrekken van nog ontbrekende gegevens tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag kan leiden. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellanten niet uiterlijk op 27 februari 2007 evenvermelde gegevens hebben overgelegd.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 28 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 28 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het College welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

4.3. De Raad stelt voorop dat de door het College gevraagde beschikkingen Voorlopige Teruggave van de Belastingdienst over 2006 en 2007 en de polis [naam polis] van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het College heeft dan ook terecht om deze gegevens verzocht. Voorts staat vast dat appellanten deze gegevens niet binnen de in de brief van 21 februari 2007 genoemde hersteltermijn hebben overgelegd.

4.4. Naar het oordeel van de Raad moeten appellanten binnen de hen gegeven hersteltermijn redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de onder 4.3 genoemde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over deze gegevens konden beschikken. De grief van appellanten dat het College contact had moeten opnemen met appellanten en met de verzekeringsmaatschappij slaagt niet. Het ligt op de weg van de appellanten om de gevraagde gegevens - zonodig zelf op te vragen en - over te leggen en eveneens om zo nodig binnen de gegeven hersteltermijn het College om verlenging van de termijn te verzoeken. Het een noch het ander is in dit geval gebeurd.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellanten van 9 januari 2007 buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV