Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-4645 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat een bijstandverlenend orgaan gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van een bedrijf te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties, zoals het IMK. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 5 januari 2010, LJN BK9638, dat een dergelijk advies op zorgvuldige wijze tot stand moet zijn gekomen, geen feitelijke onjuistheden mag bevatten en deugdelijk moet zijn gemotiveerd. De Raad stelt allereerst vast dat het advies van het IMK van 9 oktober 2006 op een aantal punten feitelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden bevat. Daarnaast moet de Raad vaststellen dat de conclusie dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is, op pagina 15 van het advies, niet is gebaseerd op volledige financiële gegevens van appellant. De Raad is daarom van oordeel dat de conclusie dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is, onvoldoende door onderzoeksgegevens wordt gedragen. De Raad is van oordeel dat de adviezen van het IMK niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, zoals deze zijn weergegeven in de in 4.3 vermelde uitspraak van de Raad. Het College had de adviezen van het IMK derhalve niet ten grondslag mogen leggen aan zijn besluit van 12 november 2007. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en bepalen dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met in achtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4645 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 juli 2008, 07/9507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.A. van Walree-Brascamp, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Walree-Brascamp. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft sinds 1 januari 2001 het bedrijf [naam bedrijf] geëxploiteerd, een winkel gericht op de verkoop van herenkleding. In november 2004 heeft appellant een tweede (dames)kledingzaak geopend onder de naam [naam bedrijf 2].

1.2. Op 23 april 2006 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.3. Het IMK Intermediair (IMK) heeft op verzoek van het College op 9 oktober 2006 een advies over deze aanvraag uitgebracht. Dit advies houdt in dat appellant niet langer als zelfstandige kan worden aangemerkt, omdat hij voor de inkomstenbelasting niet aan het urencriterium voldoet en omdat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat de onderneming van appellant per 30 april 2006 is opgeheven. Voorts is het IMK gebleken dat op appellant bij rechterlijke uitspraak een schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Daarnaast acht het IMK op basis van de financiële analyse het bedrijf van appellant niet levensvatbaar. Naar aanleiding van nader door appellant toegezonden informatie heeft het IMK op 13 oktober 2006 een nader advies uitgebracht, waarin het heeft aangegeven dat het een toekenning van het gevraagde bedrijfskrediet niet verantwoord acht.

1.4. De regionale commissie Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen heeft op 30 november 2006 aan het College advies uitgebracht, waarin de commissie zich heeft aangesloten bij de adviezen van het IMK.

1.5. Deze adviezen zijn voor het College aanleiding geweest de aanvraag van appellant bij besluit van 23 januari 2007 af te wijzen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geding in hoger beroep heeft zich toegespitst op de vraag of het College het advies van het IMK ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn beslissing dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is volgens vaste rechtspraak van de Raad bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het nemen van het primaire besluit op de aanvraag.

4.2. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat een bijstandverlenend orgaan gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van een bedrijf te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties, zoals het IMK. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 5 januari 2010, LJN BK9638, dat een dergelijk advies op zorgvuldige wijze tot stand moet zijn gekomen, geen feitelijke onjuistheden mag bevatten en deugdelijk moet zijn gemotiveerd.

4.4. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat nadat het IMK was gebleken dat appellant zijn onderneming in verband met opheffing uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel had laten uitschrijven het onderzoek van het IMK in feite nooit is afgerond. Als gevolg hiervan zijn volgens appellant conclusies getrokken ten aanzien van de levensvatbaarheid van zijn bedrijf, terwijl het IMK niet over alle gegevens beschikte. Voorts heeft appellant gewezen op enkele feitelijke onjuistheden in het advies van het IMK.

4.5. De Raad stelt allereerst vast dat het advies van het IMK van 9 oktober 2006 op een aantal punten feitelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden bevat. Op pagina 3 van het advies is vermeld dat het bedrijfskrediet is aangevraagd voor onder meer verbouwingsplannen van het bedrijfspand van appellant, terwijl appellant heeft aangegeven het krediet nodig te hebben voor het realiseren van een tussentijds akkoord in het kader van een schuldsaneringsregeling welke stelling door het College niet is betwist en door de Raad aannemelijk wordt geacht. Daarnaast wordt op pagina 6 van het advies zonder verdere onderbouwing geconcludeerd dat appellant een krediet van minimaal € 100.000,-- nodig heeft, terwijl appellant heeft aangetoond dat hij steeds heeft aangegeven dat een bedrag van ongeveer € 40.000,-- volstaat voor het realiseren van bovengenoemd akkoord. Voorts is op pagina 14 van het advies vermeld dat appellant jaarlijks ongeveer € 50.000,-- uit het vermogen van het bedrijf onttrekt voor privé-doeleinden, terwijl zich onder de gedingstukken geen gegevens bevinden waaruit blijkt waarop het IMK dit bedrag heeft gebaseerd.

4.6. Daarnaast moet de Raad vaststellen dat de conclusie dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is, op pagina 15 van het advies, niet is gebaseerd op volledige financiële gegevens van appellant. De Raad is daarom van oordeel dat de conclusie dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is, onvoldoende door onderzoeksgegevens wordt gedragen. De omstandigheid dat de communicatie tussen appellant, het College en het IMK moeizaam is verlopen - appellant had niet uit eigen beweging gemeld dat hij zijn onderneming uit het handelsregister had laten uitschrijven en hij kon sommige gegevens niet tijdig aanleveren waardoor nieuwe afspraken moesten worden gemaakt - vormt naar het oordeel van de Raad evenmin een toereikende motivering voor de conclusie in de aanvulling van het advies van het IMK van 13 oktober 2006 dat geen vertrouwen bestaat in de ondernemerskwaliteiten van appellant en dat (daarmee) geen vertrouwen bestaat in de levensvatbaarheid van zijn bedrijf.

4.7. Mede in acht genomen hetgeen is vermeld op pagina 4 van het advies van 9 oktober 2006 - dat appellant niet voldoet aan de criteria van het begrip zelfstandige volgens het Bbz 2004 - kan de Raad appellant volgen in zijn standpunt dat het advies de indruk wekt dat het onderzoek door het IMK niet in voldoende mate is voortgezet dan wel afgerond nadat het IMK duidelijk is geworden dat appellant zijn onderneming per 30 april 2006 wegens opheffing uit het handelsregister had laten uitschrijven.

4.8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5 tot en met 4.7 is de Raad van oordeel dat de adviezen van het IMK niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, zoals deze zijn weergegeven in de in 4.3 vermelde uitspraak van de Raad. Het College had de adviezen van het IMK derhalve niet ten grondslag mogen leggen aan zijn besluit van 12 november 2007. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en bepalen dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met in achtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,--

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 november 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV