Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-6761 AW, 08-6762 AW, 08-6763 AW en 09-4135 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaren tegen beoordeling. Weigering van een vaste aanstelling. Afwijzing sollicitaties. Uitspraak 1: Het college heeft de beoordeling op de verschillende aspecten voldoende concreet en inzichtelijk gemaakt. De aspecten zijn op meerdere momenten met appellant besproken waarvan verslagen zijn opgesteld. Beoordeling berust niet op onvoldoende gronden. Het college heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat aan het functioneren van appellant niet het vertrouwen kon worden ontleend dat hij op adequate wijze de functie zou vervullen. Geen recht op immateriële schadevergoeding. Uitspraak 2: Het college heeft appellant in redelijkheid kunnen afwijzen voor de functie van hoofd van de afdeling en voor de functie van Beleidsadviseur Bestuurlijke en Juridische zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6761 AW, 08/6762 AW, 08/6763 AW en 09/4135 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2008, 08/1357, 08/1617 en 08/3213 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 19 juni 2009, 08/4866 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bussum (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting - waar de gedingen gevoegd zijn behandeld - heeft plaatsgevonden op 6 mei 2010. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat te ’s-Gravenhage, en M.A. Kip, werkzaam bij de gemeente Bussum.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken en de uitspraken van de Raad van 27 september 2007, 05/1591 AW e.v. en LJN BB5897, van 21 augustus 2008, 07/2671 AW en LJN BE9141, en van 18 september 2008, 07/2672 AW en LJN BF1954. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 augustus 2003 als hoofd van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Bussum aangesteld in tijdelijke dienst voor de periode van 1 jaar. In de aanstellingsbrief is verwoord dat indien appellant na één jaar goed functioneert een vast dienstverband wordt aangeboden, op voorwaarde van een goede eindbeoordeling. Als op basis van een beoordeling na negen maanden blijkt dat appellant niet goed functioneert, wordt het dienstverband met ingang van 1 februari 2005 beëindigd en een outplacement aangeboden tot uiterlijk 1 februari 2005.

1.2. Op 6 mei 2004 is een beoordeling opgemaakt. De totaalbeoordeling is voldoende, maar de beoordeling is onvoldoende op de onderdelen in- en extern overleg, uitdrukkings-vaardigheid, contact, begeleiden en communicatie in de lijn. De beoordeling is met appellant besproken en op 17 juni 2004 vastgesteld. Het tijdelijk dienstverband is vervolgens verlengd tot 1 februari 2005, onder aanbieding van een outplacementtraject, dit volgens de bij de aanstelling gemaakte afspraken. Voorts heeft het college appellant bij besluit van 2 juli 2004 andere werkzaamheden opgedragen en hem uit de functie hoofd van de afdeling [naam afdeling] ontheven. Het ontheffingsbesluit is nadien ingetrokken omdat volgens het college een onwerkbare situatie was ontstaan en appellant is daarom vrijgesteld van werkzaamheden. Vanaf oktober 2004 was appellant bij de gemeente Hilversum gedetacheerd.

1.3. De Raad heeft bij zijn voormelde uitspraak van 27 september 2007 de door het college ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank genomen nieuwe beslissing op bezwaar inzake de beoordeling vernietigd omdat ten onrechte geen nieuwe hoorzitting was gehouden. In verband hiermee heeft de Raad ook de beslissing op bezwaar inzake de verlenging van de tijdelijke aanstelling vernietigd nu het college zelf een formele beoordeling als eis voor een beslissing over het verlenen van een vaste aanstelling had gesteld. De Raad heeft verder geoordeeld dat er geen dringend belang was om appellant uit zijn functie te ontheffen en dat het college zich had moeten beraden over de vraag in hoeverre compensatie voor die ontheffing geboden was.

1.4. Ter uitvoering van die uitspraak van de Raad heeft het college bij besluiten van 10 april 2008 de bezwaren tegen de beoordeling en de weigering van een vaste aanstelling wederom ongegrond verklaard. Bij besluit van 27 mei 2008 is het bezwaar tegen de weigering van een compensatie ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen de besluiten van 10 april 2008 en 27 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft daarnaast in 2005 gesolliciteerd naar de vacant gekomen functie van hoofd van de afdeling [naam afdeling] en naar de functie beleidsadviseur Bestuurlijke en Juridische zaken bij de gemeente Bussum. Appellant is niet in aanmerking gebracht voor deze functies. Hiertegen heeft appellant rechtsmiddelen aangewend.

2.1. De Raad heeft bij zijn voormelde uitspraken van 21 augustus 2008 en 18 september 2008 de desbetreffende uitspraken van de rechtbank en de desbetreffende bestreden besluiten om formele redenen vernietigd. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het college bij besluit van 14 november 2008 de afwijzing van de sollicitaties gehandhaafd en de bezwaren ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen het besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

Aangevallen uitspraak 1

4. De beoordeling

4.1. Volgens vaste rechtspraak is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In geval van negatieve oordelen geldt het uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de toetsing kunnen doorstaan.

4.2. Uit de stukken blijkt dat het functioneren van appellant in gesprekken op 18 november 2003 en 13 februari 2004 aan de orde is geweest. Toen zijn verschillende ontwikkelpunten besproken. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 22 februari 2005, 04/6547 en 04/6549, heeft het college alsnog een toelichting gegeven op de onderdelen van de beoordeling die in bezwaar door appellant waren bestreden. Het college heeft vervolgens ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 27 september 2007 appellant in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Een en ander heeft niet tot een aanpassing van de beoordeling geleid.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college de beoordeling op de verschillende aspecten voldoende concreet en inzichtelijk heeft gemaakt. Die aspecten zijn op meerdere momenten met appellant besproken waarvan verslagen zijn opgesteld. Het totaalbeeld van deze aspecten laat zien dat appellant met name op het aspect communicatieve vaardigheden niet aan de vereisten voor de functie voldoet. Aan appellant kan worden toegegeven dat de beoordeling een verbetering in het functioneren laat zien, maar beschreven is dat deze onvoldoende was voor een positieve beoordeling op de in geding zijnde aspecten. Hetgeen appellant over een aantal specifieke situaties heeft aangevoerd maakt dit niet anders, nu het gaat om het totaalbeeld van het functioneren van appellant. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.

5. De weigering een vaste aanstelling te verlenen

5.1. In de uitspraak van de Raad van 27 september 2007 heeft de Raad overwogen dat de in het aanstellingbesluit opgenomen voorwaarde voor het verlenen van een vaste aanstel-ling zo moet worden begrepen dat aan het functioneren van appellant het vertrouwen kan worden ontleend dat hij zijn functie op adequate wijze zal vervullen.

5.2. Het college heeft gezien de onvoldoende beoordeling op met name de communica-tieve aspecten geconcludeerd dat dit vertrouwen ontbreekt, zodat de weigering van de vaste aanstelling is gehandhaafd. Gelet op hetgeen de Raad in rechtsoverweging 4.3 ter zake van de beoordeling van appellant heeft overwogen, kan worden vastgesteld dat appellant niet volledig voldeed aan de voor de functie essentiële competenties en dus tekort schoot in zijn functioneren. In de functioneringsgesprekken heeft de leiding-gevende van appellant dit aan de orde gesteld, maar appellant heeft onvoldoende verbetering van zijn functioneren laten zien. Naar het oordeel van de Raad heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat aan het functioneren van appellant niet het vertrouwen kon worden ontleend dat hij op adequate wijze de functie zou vervullen. Het hoger beroep slaagt op dit onderdeel dus niet.

6. De compensatie

6.1. In de uitspraak van 27 september 2007 heeft de Raad geoordeeld dat het college zich bij de intrekking van het ontheffingsbesluit had moeten beraden over de vraag in hoeverre compensatie voor de plaatsgevonden ontheffing geboden was. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het college aan appellant verzocht om aan te geven waaruit de gestelde geleden schade bestaat. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college vervolgens het verzoek om compensatie afgewezen, omdat van relevante schade niet gebleken is.

6.2. Appellant heeft dat betwist. Naar zijn mening is hij er ten gevolge van het onrechtmatige ontheffingsbesluit niet in geslaagd een andere functie te vinden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep meerdere afwijzingsbrieven overgelegd. Naar het oordeel van de Raad blijkt daaruit echter niet dat die afwijzingen het gevolg zijn van het onrechtmatige besluit van het college, zodat het noodzakelijke causale verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade die appellant stelt te hebben geleden ontbreekt. De Raad merkt daarbij op dat de onverhoedse ontheffing uit de functie weliswaar onrechtmatig was maar dat in rechte is komen vast te staan dat appellant niet aan alle functie-eisen voldeed. Juist dit laatste kan appellant parten hebben gespeeld bij zijn sollicitaties. Naar het oordeel van de Raad heeft het college het verzoek om compensatie dan ook niet ten onrechte afgewezen. Daarbij acht de Raad ook van belang dat appellant volgens de afspraken een outplacementtraject heeft doorlopen en dat de verlenging van de tijdelijke aanstelling een maand langer heeft geduurd dan met appellant was afgesproken.

6.3. Voor zover appellant voor immateriële schadevergoeding in aanmerking wenst te komen, moet naar het oordeel van de Raad worden bedacht dat bij een situatie als hier aan de orde in de regel sprake zal zijn van meer of minder psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit van het bestuursorgaan. Dat bij appellant ook dergelijke gevoelens zijn ontstaan, acht de Raad aannemelijk. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig onder het ontheffingsbesluit heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Appellant heeft dan ook geen recht op immateriële schadevergoeding

6.4. Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

7. De sollicitaties

7.1. De Raad stelt voorop dat de beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat is van een afwegingsproces van de capaciteiten van de sollicitant tegen de achtergrond van de vereisten die voor de functie zijn gesteld. Het bestuursorgaan heeft hierbij een grote beoordelingsruimte. De rechterlijke toetsing van die beslissing is daarom terughoudend.

7.2. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen ter zake van de beoordeling van appellant in de functie hoofd van de afdeling [naam afdeling], is de Raad van oordeel dat het college heeft kunnen vaststellen dat appellant niet volledig voldeed aan de vereisten van de functie. Die beoordeling heeft er ook toe geleid dat aan appellant na afloop van de tijdelijke aanstelling geen vaste aanstelling is verleend. Naar het oordeel van de Raad heeft het college appellant dan ook in redelijkheid kunnen afwijzen voor de functie van hoofd van de afdeling [naam afdeling].

7.3. Dit geldt in zelfde mate voor de sollicitatie naar de functie van Beleidsadviseur Bestuurlijke en Juridische zaken. Gelet op de functiebeschrijving is ook in deze functie de competentie communicatieve vaardigheden van belang. Nu appellant blijkens de beoordeling hierop met een onvoldoende is beoordeeld, heeft het college appellant dan ook in redelijkheid kunnen afwijzen voor deze functie. Dat de functie twee schalen lager is ingeschaald en het geen leidinggevende functie betreft, maakt dit niet anders.

7.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant ter zake van de sollicitaties evenmin kan slagen en uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1 voor zover aangevochten.

Bevestigt uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th.Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD