Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-5833 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellant heeft niet aangetoond dat sprake was van een wijziging van de omstandigheden. Appellant heeft bij zijn aanvraag en ook nadien geen opheldering verschaft over de wijze waarop hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft voorzien in zijn levensonderhoud en heeft uitdrukkelijk verklaard dat er ten opzichte van zijn eerdere aanvraag om bijstand niets veranderd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5833 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2008, 07/2048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Voor appellant is verschenen mr. Stoppelenburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving in het verleden bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Wegens het niet verschijnen op een oproep voor een gesprek heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 20 maart 2006 ingetrokken. Vervolgens is uit onderzoek naar voren gekomen dat appellant in de periode van 24 december 1999 tot en met 18 december 2003 45 financiële transacties heeft uitgevoerd, waarmee een bedrag van € 367.756,-- was gemoeid, en dat in de periode van 14 maart 1990 tot april 2006 elf verschillende autokentekens bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op zijn naam geregistreerd zijn geweest. Om die reden is de bijstand van appellant over de periode van 24 juli 2000 tot en met 19 maart 2006 ingetrokken en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd. Op 29 juni 2006 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak in hoger beroep van 18 november 2008, LJN BG4765, heeft de Raad geoordeeld dat het College slechts bevoegd was om tot intrekking van bijstand over te gaan over de maanden waarin kortdurende registraties van auto’s op naam van appellant zijn beëindigd dan wel financiële transacties hebben plaatsgevonden en dat over deze maanden is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering. De afwijzing van de aanvraag van 29 juni 2006 is door de Raad bij diezelfde uitspraak in hoger beroep in stand gelaten. Naar het oordeel van de Raad had appellant niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan niet kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

1.2. Appellant heeft op 23 november 2006 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft aangetoond dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van zijn eerdere aanvraag om bijstand van 29 juni 2006.

1.3. Bij besluit van 3 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de periode van 23 november 2006 tot en met 10 januari 2007 dient te worden beoordeeld.

4.2. Met de uitspraak van de Raad van 18 november 2008 is de afwijzing van de eerdere aanvraag om bijstand van appellant van 29 juni 2006 in rechte komen vast te staan. In een geval als onderhavige, waarin een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de belanghebbende een nieuwe aanvraag indient die is gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat later gelegen tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake was van een wijziging van de omstandigheden in die zin dat hij in de hier te beoordelen periode van 23 november 2006 tot 10 januari 2007 wel voldeed aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Appellant heeft bij zijn aanvraag en ook nadien geen opheldering verschaft over de wijze waarop hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft voorzien in zijn levensonderhoud en heeft uitdrukkelijk verklaard dat er ten opzichte van zijn eerdere aanvraag om bijstand niets veranderd is.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat het College aan hem per 18 september 2007 wel bijstand heeft toegekend, terwijl zijn situatie niet is veranderd. Aan deze latere toekenning van bijstand, die heeft plaatsgevonden op basis van onderzoek naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, kan naar het oordeel van de Raad niet de conclusie worden verbonden dat ook in de thans in geding zijnde periode recht op bijstand bestond.

4.5. De Raad komt dan ook evenals de rechtbank tot de conclusie dat het College de aanvraag van appellant van 23 november 2006 terecht heeft afgewezen.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek van appellant om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

AV