Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09-3579 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Geen reden om aan te nemen dat appellante haar eigen werk niet in volle omvang kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3579 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2009, 08/4840 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Appellante is met haar echtgenoot verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 26 december 2007 geen recht ontstaat op een WIA-uitkering vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 oktober 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.

3.2.1. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek dat is gebaseerd op de anamnese, het eigen onderzoek van appellante en de informatie van de behandelend sector heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en de functionele mogelijkheden van appellante zijn correct vastgesteld. In de door appellante aangevoerde argumenten ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat meer medische beperkingen hadden moeten worden aangenomen of dat een urenbeperking aan de orde is. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de van appellante en haar behandelaars verkregen medische informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken, dat appellante – anders dan aangekondigd – geen nadere informatie van de haar behandelende cardioloog heeft overgelegd en dat de nadere informatie over de pijnklachten van appellante onvoldoende aanleiding geeft om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen.

3.2.2. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat voldoende onderzoek is gedaan of appellante het maatgevende werk zou kunnen verrichten. Uit de beschrijving van de maatgevende functie door de arbeidsdeskundige in 2003 alsmede de door appellante in beroep overgelegde functie-omschrijving volgt dat er enige, incidentele tijdsdruk en daarmee psychische druk is verbonden aan de werkzaamheden. Dat sprake is van een zeer intensieve en stressvolle functie is niet gebleken. Na nadere consultatie van de verzekeringsarts is geconstateerd dat appellante in staat moet worden geacht gedurende hele dagen zittend werk te verrichten en dat kortdurende vertredingsmomenten, waarin de functie voorziet, adequaat zijn. Er is niet gebleken dat de belasting van de maatgevende arbeid de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Dat is niet anders waar het het aspect verhoogd persoonlijk risico betreft. Appellante wordt gelet op haar gezondheidstoestand niet langer beperkt geacht voor werk met een verhoogd persoonlijk risico. Bovendien bestaat voor de functie van inkoper geen verhoogd persoonlijk risico.

4. Appellante heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd – gesteld dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is de maatgevende arbeid te verrichten. Volgens appellante zijn haar hartklachten toegenomen en had zij daarom beperkt geacht moeten worden voor werk dat een verhoogd persoonlijk risico of een hoog handelingstempo kent. Ook hadden haar heup-, nek- en rugklachten tot de aanname van meer medische beperkingen moeten leiden. Appellante heeft ten slotte gesteld dat de maatgevende arbeid voor haar te belastend is vanwege het zeer intensieve en stressvolle karakter ervan.

5. De Raad overweegt als volgt.

6. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Appellante heeft haar stelling dat haar belastbaarheid is overschat niet met nadere medische informatie onderbouwd. De zich in het dossier bevindende medische informatie – waaronder de informatie van de appellante behandelende neuroloog en orthopaedisch chirurg – is door de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink bij de beoordeling betrokken en leidt blijkens zijn rapportages van 26 september 2008 en 2 april 2009 niet tot de aanname van meer medische beperkingen dan in de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) van 14 november 2007 is aangegeven. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake dan ook volledig en maakt die tot de zijne.

7. Uitgaande van de FML van 14 november 2007 is er geen reden om aan te nemen dat appellante haar eigen werk niet in volle omvang kan verrichten. Ook de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige grondslag worden door de Raad volledig onderschreven en tot de zijne gemaakt. Appellante is geschikt geacht voor de maatgevende arbeid van inkoper. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige P. de Jong zich blijkens zijn rapportage van 6 december 2007 gebaseerd op de functie-omschrijving zoals die in 2003 is opgesteld alsmede op de van de laatste werkgever van appellante verkregen actuele informatie over de fysieke belasting van de maatgevende arbeid. Uit die informatie noch uit de door appellante overgelegde functie-omschrijving blijkt dat de maatgevende functie zeer intensief en stressvol is. Het valt de Raad in dit verband bovendien op dat appellante in de persoonlijke vragenlijst die zij ten behoeve van de aanvraag om een WIA-uitkering heeft ingevuld – hoewel daarnaar wordt gevraagd – geen bijzondere omstandigheden zoals tijdsdruk en stress heeft vermeld. Met betrekking tot de, in het eigen werk voorkomende, langdurige vergaderingen overweegt de Raad dat ter zitting naar voren is gekomen dat deze slechts één keer in de vier tot zes weken plaatsvonden. Tijdens de kortere, dagelijkse, besprekingen met één of twee personen kan in overleg worden gepauzeerd, al dan niet om te vertreden.

8. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) I. Mos.

RK