Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
08-1841 WWb + 08-2649 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met nader besluit niet (geheel) tegemoetgekomen. Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de van haar vader ontvangen periodieke stortingen moeten worden terugbetaald en dat zij voor de incidentele stortingen geen verifieerbare verklaring heeft gegeven. Schending inlichtingenverplichting. Geen bijzondere omstandigheden om in afwijking van de beleidsregel (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1841 WWB

08/2649 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 februari 2008, 07/640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en de Raad een nader besluit van 4 maart 2008 doen toekomen. Op verzoek van de Raad heeft het College nadien nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving bijstand sedert 8 december 2003, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In verband met het kunnen delen van kosten met haar zus [naam zus van appellante] is de bijstand verhoogd met een toeslag van 10%.

1.2. In verband met de registratie van meerdere kentekens op naam van appellante heeft de Sociale Recherche van de gemeente Hengelo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is appellante verhoord en is zij verzocht om nadere gegevens, waaronder nader aangeduide bankafschriften, over te leggen. Het College heeft bij besluit van 20 april 2005 de uitkering van appellante met ingang van 1 februari 2005 voor de duur van twee maanden met 5% verlaagd in verband met het niet tijdig verstrekken van de gevraagde informatie. Naar aanleiding van de melding van appellante op 20 juni 2005 dat zij vanaf 1 april 2005 niet langer in aanmerking wil komen voor een bijstandsuitkering heeft het College de uitkering per die datum ingetrokken.

1.3. De Sociale Recherche heeft in november 2006 het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heropend. Bij brieven van 17 november 2006 en 12 december 2006 is appellante verzocht om nader aangeduide bankafschriften over te leggen. Appellante heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven. Bij brief van 20 december 2006 is appellante uitgenodigd om op 9 januari 2007 te verschijnen en de gevraagde gegevens alsnog te overleggen. Ook aan deze uitnodiging heeft appellante geen gehoor gegeven.

1.4. Het College heeft daarop bij besluit van 13 februari 2007 de bijstand van appellante over de perioden van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2004, van 1 april 2004 tot en met 20 augustus 2004 en van 3 september 2004 tot en met 31 januari 2005 ingetrokken op de grond dat appellante gedurende voormelde perioden niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB bestaande verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, waardoor het recht op uitkering over genoemde perioden niet is vast te stellen. Voorts heeft het College bij dit besluit de gemaakte kosten van bijstand over genoemde perioden ten bedrage van € 7.482,-- met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd.

2. Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat appellante de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd en geen aannemelijke en verifieerbare verklaringen heeft gegeven met betrekking tot de kasstortingen, die blijken uit de wel overgelegde bankafschriften. Voorts heeft het College de perioden van intrekking en terugvordering van de bijstand in die zin gewijzigd door daarbij niet langer de bijstand over de maand september 2004 te betrekken, nu de bijstand over deze maand reeds eerder was teruggevorderd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met overwegingen over proceskosten en griffierecht - het beroep van appellante tegen het besluit van 1 mei 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het College opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank ontslaat het geven van een toelichting bij de aanvraag van appellante in december 2003 op een uit een bankafschrift blijkende kasstorting en een periodieke overboeking niet van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB, om maandelijks melding te maken van eventuele stortingen en overboekingen op haar rekening die nadien hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante uiteindelijk alle op de in geding zijnde perioden betrekking hebbende bankafschriften heeft overgelegd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante nog andere inkomsten heeft gehad dan die blijken uit de bankafschriften. De rechtbank heeft geconstateerd dat aan de hand van de bankafschriften kan worden vastgesteld dat de som van de kasstortingen en periodieke bijschrijvingen over de maanden januari, april, mei, juni, juli, augustus en november 2004 en januari 2005 lager zijn dan de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm, zodat appellante over deze maanden recht heeft op aanvullende bijstand. Ter zake van de maanden februari, oktober en december 2004 heeft appellante geen recht op bijstand. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het besluit van 1 mei 2007, voor zover het betreft de intrekking van het recht op bijstand over genoemde maanden op een ondeugdelijke motivering berust en om die reden niet in stand kan blijven. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat daarmee tevens aan de terugvordering de grondslag is komen te ontvallen.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Inzake het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante in strijd heeft gehandeld met de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Blijkens de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002 – 2003, 28 870, nr. 3. p. 47) omvat de inlichtingenverplichting niet alleen de verplichting bij de aanvraag van bijstand concrete informatie en bewijsstukken te verstrekken, maar ook in andere stadia van bijstandsverlening onverwijld uit eigen beweging feiten en omstandigheden te melden, indien het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

5.2. Dat het College in de bij de aanvraag gegeven toelichting op de toen gebleken periodieke overboeking en de kasstorting aanleiding heeft gezien tot verlening van bijstand over te gaan, impliceert niet dat appellante het College niet behoefde te informeren over het voortduren van de periodieke overboekingen en het blijven ontvangen van kasstortingen. De Raad merkt daarbij op dat appellante ter toelichting op de in december 2003 gebleken periodieke overboeking heeft aangegeven dat zij tijdens haar studie door haar vader financieel is ondersteund en dat zij inmiddels haar opleiding heeft afgerond. Ter zitting is namens het College te kennen gegeven dat het College de periodieke overboeking in december 2003 heeft beschouwd als laatste termijn van de financiële ondersteuning na afronding van de opleiding. Anders dan appellante ziet de Raad in de aldus weergeven omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat het appellante niet redelijkerwijs duidelijk behoefde te zijn dat het voortduren van de periodieke overboekingen en het blijven ontvangen van kasstortingen van invloed was op het recht op bijstand.

5.3. De in hoger beroep aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het betoog dat het College gehandeld heeft in strijd met het eigen terugvorderingsbeleid slaagt niet. Aan beoordeling van het besluit van 1 mei 2007, voor zover dit ziet op de terugvordering, is de rechtbank niet toegekomen, nu de rechtbank aanleiding heeft gezien dit besluit, waar dit betreft de intrekking van de verleende bijstand, te vernietigen wegens ondeugdelijke motivering.

5.4. Uit het overwogene in 5.2 en 5.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Inzake het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008

5.5. Op 4 maart 2008 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5.6. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het besluit van 13 februari 2007 gedeeltelijk herroepen. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de van haar vader ontvangen periodieke stortingen moeten worden terugbetaald en dat zij voor de incidentele stortingen geen verifieerbare verklaring heeft gegeven. Het College heeft de beide soorten stortingen als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB in aanmerking genomen. Het College heeft vervolgens vastgesteld dat appellante geen recht heeft op bijstand over de maanden februari, juli, december 2004 en januari 2005, omdat zij gedurende deze maanden voldoende middelen heeft gehad om in de kosten van het bestaan te voorzien. Het College heeft het recht op bijstand over deze maanden met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken. Voorts heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand herzien over de maanden januari, april, mei en juni 2004, de periode van 1 augustus tot en met 20 augustus 2004 en over de maand november 2004. Het College heeft bij dit besluit de gemaakte kosten van bijstand over genoemde perioden ten bedrage van € 6.486,71 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd.

5.7. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het College te kennen gegeven dat ten aanzien van de maand januari 2005 abusievelijk in het besluit van 4 maart 2008 is vermeld dat het recht op bijstand gedurende deze maand wordt ingetrokken. Feitelijk is het recht op bijstand over deze maand herzien. Bij de vaststelling van het terug te vorderen bedrag is ook met deze herziening rekening gehouden. Gelet op deze toelichting stelt de Raad vast dat de feitelijke grondslag voor intrekking van de bijstand over de maand januari 2005 ontbreekt. Het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 is op deze grond in zoverre gegrond. Het besluit van 4 maart 2008 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking, voor zover dit betreft de intrekking van bijstand over de maand januari 2005. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat met in aanmerking neming van de in die maand ontvangen stortingen het recht op bijstand wordt herzien.

5.8. Niet in geding is en ook de Raad stelt vast dat uit de op de maand juli 2004 betrekking hebbende bankafschriften blijkt dat appellante in die maand inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten en dat appellante in verband met deze inkomsten naast de in aanmerking te nemen (overige) stortingen over deze maand geen recht op bijstand heeft. De Raad is van oordeel dat het College de aangevallen uitspraak zo heeft mogen begrijpen dat bij het nader te nemen besluit op bezwaar ter vaststelling van het recht op bijstand de stortingen in aanmerking dienen te worden genomen die blijken uit de door appellante overgelegde bankafschriften. Dat de rechtbank de inkomsten uit werkzaamheden niet heeft genoemd en in verband met de wel genoemde periodieke en incidentele stortingen geconcludeerd heeft dat over die maand recht op aanvullende bijstand bestaat, neemt niet weg dat de rechtbank het besluit van 1 mei 2007 heeft vernietigd en het College heeft opgedragen uitgaande van de uit de bankafschriften blijkende inkomsten een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand van appellante over de onder 5.6, 5.7 en 5.8 bedoelde maanden. Omdat de gedeeltelijke vernietiging van het besluit van 4 maart 2008 geen gevolgen heeft voor de terugvordering is er geen aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van gelden schade in de vorm van wettelijke rente.

5.10. Voor zover de gronden van beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 zo moeten worden begrepen dat het College in strijd heeft gehandeld met het terugvorderingsbeleid overweegt de Raad als volgt.

5.11. Het College volgt in het kader van de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de beleidsregel dat uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat altijd moet worden teruggevorderd. Afzien van terugvordering is mogelijk in het geval aan de uitkeringsgerechtigde te veel uitkering is verleend en hij dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, maar betaling reeds meer dan twee jaren geleden heeft plaatsgevonden. Voorts is afzien van terugvordering mogelijk in het geval de terugvordering van te veel betaalde uitkering in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.12. Met het College is de Raad van oordeel dat het door het College gevoerde terugvorderingsbeleid zo moet worden begrepen dat in het geval van schending van de inlichtingenverplichting slechts in het geval van zeer bijzondere omstandigheden niet tot terugvordering wordt overgegaan. Van zeer bijzondere omstandigheden in voornoemde zin is de Raad niet gebleken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in afwijking van de beleidsregel (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 gegrond, voor zover dit betreft de intrekking van bijstand over januari 2005;

Vernietigt het besluit van 4 maart 2008, voor zover dit betreft de intrekking van bijstand over januari 2005;

Bepaalt dat de bijstand over de maand januari 2005 wordt herzien als overwogen in 5.7;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 voor het overige ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

AV