Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
09-1663 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Indien er geen feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het Uwv desondanks op grond van houding en gedrag tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo een geval ondubbelzinnig moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat hij of zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen (CRvB 24 april 1990, LJN ZB2018). Het Uwv heeft tijdens de zitting te kennen gegeven dat in het geval van appellant niet is komen vast te staan dat aan de in de genoemde rechtspraak geformuleerde eisen is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1663 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 januari 2009, 08/531 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Sewdajal, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sedert 5 oktober 1998 werkzaam als vrachtwagenchauffeur in dienst van (een rechtsvoorganger van) [naam werkgever] (hierna: werkgever). Bij beschikking van 31 juli 2007 heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 augustus 2007 en bepaald dat de werkgever aan appellant een bedrag van € 11.500,-- betaalt.

1.2. Appellant heeft zich op 17 september 2007 als werkzoekende ingeschreven bij het Centrum voor werk en inkomen te ’s-Gravenhage (CWI). Het bewijs van inschrijving vermeldt dat appellant voor 38 uren beschikbaar is voor werk. Op het door hem op 24 september 2007 ondertekende aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft hij ingevuld 38 uren per week beschikbaar te zijn voor werk en voor de eerste werkloosheidsdag 2 sollicitaties te hebben verricht. Op een niet ondertekende bijlage bij dat formulier heeft de adviseur van het CWI F. Ashraf onder meer vermeld dat appellant in gebrekkig Nederlands heeft aangegeven nu niet in staat te zijn om te werken en dat hij appellant richting het Uwv heeft doorgeleid voor re-integratie.

1.3. Bij besluit van 28 september 2007, voor zover van belang, heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 3 september 2007 geen recht heeft op WW-uitkering, omdat hij niet beschikbaar is voor werk. Appellant heeft hierop op 1 oktober 2007 telefonisch gereageerd met de mededeling dat hij wel beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en vervolgens schriftelijk bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij herhaald beschikbaar te zijn voor werk en erop gewezen dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en zonder tolk bij het CWI is geweest.

1.4. Bij besluit van 14 december 2007 heeft het Uwv overwogen dat appellant heeft aangegeven niet in staat te zijn om te werken en dat geen sprake is geweest van concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 28 september 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat per

3 september 2007 geen sprake is van beschikbaarheid en dat appellant per die datum niet werkloos is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het in het besluit van 14 december 2007 neergelegde standpunt van het Uwv onderschreven en het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit artikel 16 van de WW blijkt dat een werknemer werkloos is indien hij aan twee voorwaarden, opgenomen in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en b, voldoet. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant per 3 september 2007 voldoet aan de voorwaarde vermeld in onderdeel a van dat artikel.

4.2. Met betrekking tot de in dit geding aan de orde zijnde vraag of gezegd kan worden dat appellant per 3 september 2007 ook voldeed aan de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW opgenomen voorwaarde dat de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak. Deze rechtspraak houdt, kort gezegd, in dat, indien er overigens geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschik-baar is om arbeid te aanvaarden en het Uwv desondanks op grond van houding en gedrag tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, in zo een geval ondubbelzinnig zal moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat hij of zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil stellen (CRvB 24 april 1990, LJN ZB2018).

4.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd te kennen gegeven dat in het geval van appellant niet is komen vast te staan dat aan de in de genoemde rechtspraak geformuleerde eisen is voldaan, zodat niet kan worden gezegd dat appellant per 3 september 2007 niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het besluit van 14 december 2007 wegens strijd met artikel 16, eerste lid, van de WW niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 december 2007 vernietigen en bepalen dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 december 2007;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) R. Scheffer.

HD