Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09-4783 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft in zijn rapport van 10 december 2009 inzichtelijk en overtuigend onderbouwd waarom uit het rapport van de psychologen Stobbe-Meijers en Guevara niet de conclusie kan worden getrokken dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan in de FML van 3 december is aangenomen. In het voorgaande ligt tevens besloten de Raad benoeming van een medisch deskundige niet noodzakelijk acht. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen heeft de Raad evenmin grond de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4783 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 juli 2009, 08/5892 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante H.J.A. Aerts, werkzaam als juridisch medewerker bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 14 oktober 2009 overgelegd.

Appellante heeft een klinisch neuropsychologisch rapport over een bij haar door GZ psycholoog i.o. M.A. Stobbe-Meijers en gezondheidszorgpsycholoog H.A. Guevara op 28 augustus en 4 september 2009 afgenomen onderzoek in het geding gebracht.

Bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft hierop gereageerd in zijn rapport van 10 december 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster in een omvang van 32,5 uur per week toen zij op 4 juni 1994 uitviel voor deze werkzaamheden als gevolg van psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 3 juni 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 25 maart 2008 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.4. Het door appellante tegen het besluit van 10 april 2008 gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.5. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 25 maart 2008, de datum in geding, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank heeft overwogen dat in de beschikbare medische gegevens bij appellante geen lichamelijke of psychische oorzaak is vastgesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat op 25 maart 2008 sprake was van meer beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn bepaald. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de door appellante geclaimde vermoeidheids- en pijnklachten niet objectiveerbaar zijn gebleken. Uit de brief van de revalidatiearts dr. J.R. de Kroon van 29 augustus 2008 noch uit de brief van psychiater A.J. Rietman van 13 februari 2009 blijkt van een objectiveerbare oorzaak van de klachten.

3.1. In hoger beroep heft appellante de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald. Appellante blijft van mening dat zij op en na 25 maart 2008 zodanige lichamelijke en psychische klachten en beperkingen ondervindt dat zij niet in staat was tot het duurzaam en fulltime verrichten van arbeid. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de zich in het dossier bevindende medische stukken en het hiervoor in rubriek I van deze uitspraak vermelde klinisch neuropsychologisch rapport.

3.2. Het Uwv heeft verwezen naar de eerder in bezwaar en beroep ingediende (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapporten, waarin al uitvoerig op de diagnosen fibromyalgie en somatoforme pijnstoornis is ingegaan. Het Uwv houdt staande dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wat betreft het door appellante in hoger beroep aangevochten oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 3 december 2007 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellante met name beperkt geacht ten aanzien van zwaar lichamelijk werk, hoewel er bij lichamelijk onderzoek nauwelijks afwijkingen werden vastgesteld, en ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is tevens opgenomen dat appellante niet ’s nachts kan werken en gemiddeld 8 uur per dag/40 uur per week. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Hulst, die aanwezig was bij de hoorzitting, dossieronderzoek verricht en de door appellante ingediende medische informatie in zijn beoordeling betrokken. Hij heeft overwogen dat noch uit de informatie van de behandelaars noch uit eigen onderzoek aanknopingspunten voor een relevante psychische stoornis zijn gevonden. Met name ontbraken aanwijzingen voor een verminderd cognitief functioneren. De lichamelijke klachten ontberen een lichamelijke stoornis, aldus Hulst in zijn rapport van 28 juli 2008. Voor de in de rubrieken III en IV van de FML opgenomen fysieke beperkingen is in feite geen reden, nu immers geen fysieke stoornissen zijn geobjectiveerd. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft ook beargumenteerd waarom voor een verdergaande urenbeperking dan in de FML van 3 december 2007 reeds is opgenomen, geen reden is. Hulst acht appellante dan ook duurzaam belastbaar conform de FML van 3 december 2007. Voor een te verwachten verhoogd ziekteverzuim is vanuit medische optiek geen reden. De Raad kan zich met deze beschouwingen en de daaruit getrokken conclusie verenigen. Uit de beschikbare gegevens zijn naar het oordeel van de Raad geen gegevens beschikbaar gekomen die aanleiding geven tot de conclusie dat appellante op de datum in geding op objectief-medische gronden meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen.

Ook het in hoger beroep door appellante ingediende klinisch neuropsychologisch rapport leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Hulst in zijn rapport van 10 december 2009 inzichtelijk en overtuigend onderbouwd waarom uit het rapport van de psychologen Stobbe-Meijers en Guevara niet de conclusie kan worden getrokken dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan in de FML van 3 december is aangenomen. In het voorgaande ligt tevens besloten de Raad benoeming van een medisch deskundige niet noodzakelijk acht.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen heeft de Raad evenmin grond de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist te achten.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR