Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09-3583 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten. Niet aannemelijk dat sprake is van een beperking van de longfunctie. Aannemelijk dat de geuide functies in medisch opzicht geschikt zijn. Het Uwv heeft het juiste opleidingsniveau gehanteerd. De vaststelling van het opleidingniveau in één of meer eerdere arbeidskundige rapportages kan niet worden beschouwd als een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging ten aanzien van de beoordeling per de datum in geding. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3583 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 mei 2009, 08/7716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Het Uwv heeft rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ingediend.

Appellant heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven.

Partijen hebben de Raad toestemming gegeven om nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 oktober 2006 is de uitkering per 25 december 2006 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 mei 2007 is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de uitkering per 25 december 2006 alsnog herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.1. Het beroep tegen het besluit van 6 februari 2007, dat de rechtbank heeft aangemerkt als mede gericht tegen het besluit van 29 mei 2007, is bij de uitspraak van 22 april 2008 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 29 mei 2007 vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht vergoedt. Bij besluit van 11 september 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar opnieuw gegrond verklaard en de uitkering per 25 december 2006 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat zijn psychische beperkingen en zijn beperkingen als gevolg van medicijngebruik onvoldoende zijn onderkend en voorts dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Appellant is op 29 september 2006 onderzocht op het spreekuur van de verzekeringsarts. Deze heeft geen aanleiding gezien nadere informatie van behandelaars op te vragen omdat de aanwezige gegevens duidelijk en consistent zijn en heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML gehandhaafd. Hij heeft appellant gesproken op de hoorzitting van 3 september 2008 en heeft de overgelegde informatie in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat aanvaardbaar is dat de bezwaarverzekeringsarts overigens heeft volstaan met dossieronderzoek. De Raad verwerpt de stellingen van appellant dat tijdens de hoorzitting ten onrechte geen uitgebreid gesprek heeft plaatsgevonden en informatie bij de behandelaars had moeten worden opgevraagd. Mede gelet op het onderzoek van de verzekeringsarts is naar het oordeel van de Raad sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek.

4.2. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft psychische beperkingen aangenomen. Appellant heeft objectiveerbare klachten van boosheid en snel geïrriteerd zijn. De kalmerende medicatie is aanleiding geweest om appellant beperkt te achten (onder meer) voor omgaan met conflicten. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstige psychiatrische ziekte. Daarbij is rekening gehouden met informatie van - onder meer - het Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg NOAGG van 11 februari 2007 en 4 april 2007 en met gegevens van de apotheek. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat appellant op de datum in geding niet meer onder behandeling is bij een psychiater en zijn presentatie niet past bij een ernstige psychische ziekte. In de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts tot een afgewogen oordeel over de psychische beperkingen is gekomen.

Appellant heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten en gewezen op de brieven van 29 oktober 2008, 12 november 2008 en 26 oktober 2009 van een (algemeen) arts en een psychotherapeutisch medewerker van i-Psy, instelling voor interculturele psychiatrie. In een reactie heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de verwoorde klachten bekend zijn en niet wijzen op een psychose of een neurologische aandoening, maar op een mildere psychiatrische aandoening en daarmee voldoende rekening is gehouden op de FML. Naar het oordeel van de Raad geeft de door appellant overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts per de datum in geding aangenomen psychische beperkingen. De Raad verwerpt dan ook de stelling van appellant dat het Uwv gehouden was voor de beoordeling van de psychische gesteldheid een deskundige (psychiater) in te schakelen.

4.3. Appellant heeft gesteld dat is verzuimd de beperking van de longfunctie in de beoordeling te betrekken. Gewezen is op informatie van het Medisch Centrum Haaglanden waarin sprake is van een virale luchtweginfectie en medicatie in verband met longklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie hierop aangegeven dat in de informatie niet is onderbouwd dat appellant een longbeschadiging heeft. De luchtweginfectie betrof volgens de bezwaarverzekeringsarts een griepje dat geen blijvende longklachten of een beperking heeft veroorzaakt. In de informatie van het Medisch Centrum is vermeld dat geen longafwijkingen konden worden geobjectiveerd. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts geconstateerd dat rond de datum in geding geen longmedicatie wordt gebruikt. Met de rechtbank is Raad van oordeel dat niet aannemelijk is dat sprake is van een beperking van de longfunctie. Anders dan appellant kennelijk meent is de rechtbank hierbij niet op haar eigen medische deskundigheid afgegaan, maar op de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Nu noch de informatie van het Medisch Centrum noch de gegevens van de apotheek steun geven voor de stelling van appellant dat zijn arbeidsmogelijkheden zijn afgenomen door de luchtweginfectie, leidt deze stelling niet tot twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

4.4. Appellant heeft gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het medicijngebruik en de daarmee verband houdende beperkingen voor het bedienen van machines. In antwoord op de vragen van de Raad over het medicijngebruik van appellant heeft het Uwv een nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ingediend. Daarin is geconcludeerd dat alsnog moet worden aangenomen dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant ondanks de beperking voor werk met een verhoogd persoonlijk risico in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft deze conclusie bestreden. Hij wijst erop dat in drie van de vier functies sprake is van een bijzondere belasting voor verhoogd persoonlijk risico.

De Raad overweegt dat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van de functies op dit aspect in overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd. In het betoog van appellant heeft de Raad geen aanleiding gezien eraan te twijfelen dat in de functie monteur-samensteller (sbc-code 111180) het gevaar op brandwonden minimaal is, nu het gaat om een soldeerboutje ter grootte van een pen. Wat betreft de functies medewerker doekenatelier (sbc-code 272043) en kledingsperser (sbc-code 272020) is overwogen dat het persoonlijk risico aanvaardbaar is gelet op de lage dosering van het middel Amitryptiline. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat het middel Alprazolam geen zwaar, sterk dempend middel is maar een middel met een licht tot matig sedatieve werking waarmee na enige gewenning mag worden autogereden. Ook ten aanzien van middel Amitryptiline is aangegeven dat slechts gedurende de eerste week dat het middel wordt gebruikt autorijden wordt ontraden. Gelet op het voorgaande acht de Raad aannemelijk dat het medicijngebruik van appellant niet in de weg staat aan het verrichten van de geselecteerde functies.

4.5. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd waartoe appellant in staat wordt geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft opnieuw bezien of appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Hij heeft geconcludeerd dat de functies terecht passend zijn geacht en de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45% vastgesteld. De Raad constateert dat de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen die het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij de geselecteerde functies heeft gepresenteerd van een toelichting heeft voorzien. Op basis daarvan acht de Raad, evenals de rechtbank, aannemelijk dat deze functies per 25 december 2006 in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.6. Appellant heeft gesteld dat ten onrechte is aangenomen dat hij in staat is functies met opleidingsniveau 2 te verrichten. Hij heeft erop gewezen dat in rapportages uit 1999 en 2005 opleidingsniveau 1 is aangenomen en meent dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toegelicht dat appellant een lagere-schoolopleiding heeft afgerond. Bij een afgeronde lagere-schoolopleiding was onder het Functie-informatiesysteem (FIS) sprake van opleidingsniveau 1 en onder het CBBS van opleidingsniveau 2. In een arbeidskundige rapportage uit 2005 is om praktische redenen van opleidingsniveau 1 uitgegaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stellingname van appellant moet worden verworpen. Anders dan appellant meent is in de aangevallen uitspraak in dit verband niet gerefereerd aan een wijziging van de wet- of regelgeving. Appellant heeft niet betwist dat hij de lagere school heeft doorlopen. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval het juiste opleidingsniveau gehanteerd. Voorts is de Raad van oordeel dat de vaststelling van het opleidingniveau in één of meer eerdere arbeidskundige rapportages niet kan worden beschouwd als een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging ten aanzien van de beoordeling per de datum in geding. Derhalve moet het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel worden verworpen.

4.7. De Raad overweegt voorts dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij ten onrechte niet voorafgaand aan het bestreden besluit in de gelegenheid is gesteld te reageren op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv niet verplicht die gelegenheid te geven. Uit het beginsel van hoor- en wederhoor kan die plicht in dit geval evenmin worden afgeleid.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

IvR