Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09-2607 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende processueel belang. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2607 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 08/3700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.V.P. Bond hoger beroep ingesteld en zijn diverse nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en eveneens nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is met ingang van 16 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

1.1. Op 23 juli 2008 is onder het Uwv executoriaal derdenbeslag gelegd op de inkomsten van appellant uit de WAO-uitkering tot een bedrag van € 1.831,32 te vermeerderen met de alimentatie per 1 augustus 2008 en verder ten bedrage van € 256,52 per maand.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het Uwv appellant er van in kennis gesteld dat met ingang van 1 augustus 2008 de uitkering wordt ingehouden en rechtstreeks wordt overgemaakt aan de deurwaarder en dat over de maand september nog een bedrag van € 1.020,24 zal worden ingehouden.

1.3. Bij besluit van 2 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank te vroeg uitspraak heeft gedaan omdat er juridische procedures aanhangig zijn tegen het zijns inziens onrechtmatig tot stand gekomen echtscheidingsconvenant en met name de alimentatieverplichting jegens zijn ex-vrouw. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst of de deurwaarder zich bij de beslaglegging heeft gehouden aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Uit jurisprudentie van de Raad vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang, indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2. De Raad oordeelt dat nu uit de stukken is gebleken dat het beslag per 1 november 2008 was opgeheven, appellant geen procesbelang (meer) had bij een inhoudelijk oordeel over het besluit van 2 september 2008. Ook anderszins heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het aannemen van procesbelang.

4.3. Nu de rechtbank dit niet onderkend heeft en zij het beroep tegen het besluit van 2 september 2008 ongegrond heeft verklaard in plaats van dit niet-ontvankelijk te verklaren, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.

5. Gelet op de dwingende bepaling van artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, dient de uitspraak van de Raad ook in een geval als het onderhavige in te houden dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht, in dit geval € 110,-, wordt vergoed.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) T.J. van der Torn.

JL