Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09-1523 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1523 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 januari 2009, 08/606 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. de Casparis, verbonden aan FNV Nederlandse Politie Bond te Woerden, hoger beroep ingesteld en ter ondersteuning daarvan een brief van 10 november 2009 van de neuroloog J.L. Hollinger en een brief van 19 april 2010 van gemachtigde met aanvullende medische gegevens ingebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 3 november 2009 heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord. Bij brief van 27 april 2010 heeft het Uwv gereageerd op de door appellante ingebrachte brieven van 10 november 2009 en van 19 april 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. W.J. Dammingh en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1998 uitgevallen voor haar functie van loopbaanadviseur in verband met hoofd- en nekpijn na een auto-ongeval. Later kwamen daar psychische klachten bij. Met ingang van 16 juli 1999 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 6 mei 2007 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Het bezwaar dat appellante hiertegen heeft gemaakt is door het Uwv gegrond verklaard, in zoverre dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 6 mei 2007 is vastgesteld op 55-65%.

2. Tegen dit besluit heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld. Namens appellante is in beroep -samengevat- aangevoerd dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door een andere bezwaarverzekeringsarts te laten rapporteren dan degene die haar onderzocht heeft, het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) om die reden onjuist heeft vastgesteld. Vanwege deze beperkingen acht appellante zich niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en geoordeeld dat de medische onderbouwing van het besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet op eigen onderzoek gebaseerd zijn en dat de medische beperkingen van appellante onjuist zijn ingeschat en voorts dat het rapport van de neuroloog prof. dr. J.C. Koetsier uit 2002 daarbij door de bezwaarverzekeringsarts is gepasseerd. Ter nadere onderbouwing van de door appellante ondervonden medische beperkingen is de brief van neuroloog Hollinger van 10 november 2009 ingebracht, evenals de brief van appellantes gemachtigde van 19 april 2010. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat de door het Uwv geduide functies niet passend zijn vanwege haar beperkingen.

5. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

5.1. Zoals de Raad al meermalen heeft geoordeeld, bij voorbeeld in zijn uitspraak van

13 maart 2002, LJN AE1875, is het uitsluitend verrichten van dossieronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en het niet aanwezig zijn bij de hoorzitting niet zonder meer onzorgvuldig. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Kreté op basis van de aanwezige medische stukken en onderzoek daarvan, heeft kunnen concluderen dat een nieuw spreekuuronderzoek niet noodzakelijk was, aangezien alle gegevens compleet en inzichtelijk tot zijn beschikking stonden. Onder deze omstandigheid kan het achterwege laten van een afzonderlijk medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet als onzorgvuldig worden aangemerkt.

5.2. Het is de Raad niet gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante, per

6 mei 2007 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, heeft onderschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft alle aanwezige medische informatie, waaronder begrepen de brief van neuroloog Koetsier, alsmede het medisch onderzoek en de beoordeling door de verzekeringsarts in de heroverweging betrokken. De door appellante in hoger beroep ingebrachte gegevens, inbegrepen de brieven van neuroloog J.L. Hollinger en van appellantes gemachtigde hebben geen nieuwe gegevens aan het licht gebracht op basis waarvan de Raad tot een andersluidend oordeel kan komen met betrekking tot appellantes beperkingen.

5.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft appellante geschikt geacht voor vier functies: schadecorrespondent (Sbc-code 516080), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (Sbc-code 111172), machinaal metaalbehandelaar (Sbc-code 264121) en archiefmedewerker (Sbc-code 315030) en de signaleringen op het Resultaat Functiebeoordeling van een inzichtelijk en verifieerbare toelichting voorzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft een nadere toelichting op de signaleringen gegeven.

Appellante stelt dat de eerste drie functies ongeschikt zijn vanwege overschrijding van de in de FML gestelde beperking voor veelvuldige deadlines (item 1.9.7). De functie productiemedewerker afwerk is naar appellantes mening ongeschikt omdat het een lijngebonden functie met dwingend werktempo betreft, de andere twee functies zijn in haar visie ongeschikt omdat zij dwingende productienormen kennen. De Raad stelt vast dat item 1.9.7 niet voorkomt bij de geselecteerde functies. Uitgaande van de juistheid van de gegevens in het CBBS acht de Raad het niet aannemelijk dat een dwingend werktempo of deadlines in deze functies aan de orde zijn. Met betrekking tot de functie documentaire informatieverzorger stelt appellante dat deze functie niet passend is vanwege veelvuldige storingen en onderbrekingen, waarvoor een beperking is aangenomen (item 1.9.6). De bezwaararbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd dat in deze functie geen sprake is van een grote diversiteit aan taken, dat de taken duidelijk afgebakend en routineus zijn en er geen sprake is van veelvuldige storingen of onderbrekingen.

5.4. Het is de Raad niet gebleken dat -uitgaande van de vastgestelde mogelijkheden en beperkingen van appellante- de geduide functies niet voor haar geschikt zijn.

5.5. Gelet op het onder 5.1 tot en met 5.3 overwogene slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM