Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
09-5787 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld en het tijdvak van loondoorbetaling eindigt per 27 maart 2007. De Raad kan zich vinden in de overweging van de rechtbank waaruit volgt dat het in dit geval op de weg van appellant ligt feiten naar voren te brengen die tot het oordeel kunnen leiden dat van de werkgever redelijkerwijs meer inspanningen konden worden gevergd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 augustus 2009, LJN BJ5425, waarin de Raad in gelijke zin heeft beslist over de bewijslastverdeling. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om aan te nemen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5787 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 september 2009, 09/511 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is per 11 maart 2005 in verband met spanningsklachten uitgevallen vanuit zijn functie van magazijnmedewerker in dienst van het [werkgever]. Het Uwv heeft bij besluit van 19 december 2006 op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen het tijdvak waarin appellant recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met maximaal 52 weken (loonsanctie), omdat is verzuimd een compleet re-integratieverslag in te dienen.

1.2. Na completering van het re-integratieverslag heeft de arbeidsdeskundige de re-integratie-inspanningen beoordeeld. Zij heeft daartoe (telefonisch) gesproken met de werkgever en appellant, en overlegd met de verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Bij besluit van 20 februari 2007 is vastgesteld dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld en het tijdvak van loondoorbetaling eindigt per 27 maart 2007.

1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om aan te nemen dat de loonsanctie ten onrechte is bekort. De bezwaararbeidsdeskundige is - evenals de arbeidsdeskundige - tot de conclusie gekomen dat voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Hij overweegt dat de werkgever voldoende pogingen heeft gedaan om appellant te re-integreren, maar dat succesvolle re-integratie niet mogelijk was door in de persoon van appellant gelegen omstandigheden. Er zijn geen re-integratiekansen gemist. Bij besluit van 16 december 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In een geval als dit, waarin appellant stelt dat zijn werkgever tekort is geschoten in zijn re-integratie-inspanningen en dat daarom een loonsanctie moet worden opgelegd, is het aan appellant om feiten naar voren te brengen - en zonodig aannemelijk te maken - die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en voor het oordeel dat het Uwv daarom een loonsanctie had moeten opleggen of handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant dergelijke feiten niet naar voren gebracht. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de werkgever inspanningen heeft verricht ten behoeve van hervatting in het eigen werk dan wel ander werk in het eigen bedrijf en mediation heeft onderzocht. De rechtbank is van oordeel dat terecht is aangenomen dat de werkgever onvoldoende mogelijkheden had om hervatting elders te bevorderen en dat deze omstandigheid niet aan de werkgever is toe te rekenen.

3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de werkgever eindverantwoordelijk is voor de re-integratie en dat hij zich had moeten inspannen voor terugkeer in passende arbeid op de eigen afdeling van appellant dan wel een andere afdeling. Appellant heeft gesteld dat als een werknemer niet aan re-integratie meewerkt de werkgever maatregelen moet treffen, zoals opschorting van het loon.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich vinden in de overweging van de rechtbank waaruit volgt dat het in dit geval op de weg van appellant ligt feiten naar voren te brengen die tot het oordeel kunnen leiden dat van de werkgever redelijkerwijs meer inspanningen konden worden gevergd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 augustus 2009, LJN BJ5425, waarin de Raad in gelijke zin heeft beslist over de bewijslastverdeling.

4.2. De Raad constateert dat appellant in beroep en hoger beroep identieke gronden heeft aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.

De rechtbank heeft de conclusies van de (bezwaar)arbeidsdeskundige gevolgd. Naar het oordeel van de Raad berusten deze conclusies op een zorgvuldig onderzoek. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om aan te nemen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR