Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
08-4355 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gevraagde gegevens niet verstrekt en appellante in gebreke is gebleven het verzuim te herstellen. Niet gebleken is dat appellante binnen de hersteltermijn concrete stappen heeft ondernomen om de ontbrekende stukken alsnog te verkrijgen. Evenmin heeft zij binnen de gestelde termijn om uitstel gevraagd. De Raad tekent hierbij aan dat appellante eerst in hoger beroep heeft aangevoerd dat de hersteltermijn onredelijk kort was. Dat appellante in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand alsnog de ontbrekende gegevens heeft verstrekt doet in dit verband niet ter zake. Beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4355 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 07/2484 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Uit onderzoek is het College gebleken dat er een rekening bij de Banque Populaire du Maroc op naam van appellante staat, terwijl zij daarvan bij het College geen melding had gemaakt. Het College heeft appellante verzocht vóór 18 december 2006 een schriftelijk bewijs van opening van de rekening en alle opeenvolgende bankafschriften vanaf de opening over te leggen. Tevens heeft het College de bijstand van appellante vanaf 1 december 2006 tijdelijk stopgezet. Bij besluit van 18 december 2006 heeft het College het recht op bijstand opgeschort met ingang van 1 december 2006 op de grond dat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Het College heeft appellante tot 1 januari 2007 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen. Daarbij is aan appellante meegedeeld dat indien het verzuim niet wordt hersteld de bijstand zal worden ingetrokken. Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het College de bijstand met ingang van 1 december 2006 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken op de grond dat appellante in gebreke is gebleven het verzuim te herstellen.

1.3. Bij besluit van 19 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

4.2. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

4.3. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.4. Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2006 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.5. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van bijstand staat ter beoordeling of betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door het College gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Van appellante mocht dan ook worden verlangd dat zij deze gegevens verstrekte. Vaststaat dat appellante niet alle gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn heeft verstrekt. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat zij redelijkerwijs niet in staat was tijdig de beschikking te krijgen over de bankafschriften, volgt de Raad haar daarin niet. De enkele stelling van appellante dat de gevraagde gegevens opgevraagd moesten worden bij de bank in Marokko, is daarvoor onvoldoende. Niet gebleken is dat appellante binnen de hersteltermijn concrete stappen heeft ondernomen om de ontbrekende stukken alsnog te verkrijgen. Evenmin heeft zij binnen de gestelde termijn om uitstel gevraagd. De Raad tekent hierbij aan dat appellante eerst in hoger beroep heeft aangevoerd dat de hersteltermijn onredelijk kort was. Dat appellante in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand alsnog de ontbrekende gegevens heeft verstrekt doet in dit verband niet ter zake.

4.7. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2006 gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.M. Tason Avila.

mm