Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08-2255 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering van werknemer. De toepassing van de (verkorte) wachttijd van vier weken ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO is slechts dan niet aan de orde als buiten twijfel staat dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Dit betekent in dit geval dat buiten twijfel moet staan dat het letsel aan de rechterhand niet (mede) de oorzaak vormt van (het daadwerkelijk ontstaan van) de toegenomen arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Het Uwv is er ten aanzien van de werknemer niet in geslaagd buiten twijfel te stellen dat van het oorzakelijk verband, als hiervoor aangegeven, geen sprake is. Daartoe heeft de Raad laten wegen dat de werknemer bij zijn aanvraag heeft gesteld dat hij ten gevolge van het letsel aan zijn rechterhand de afgelopen jaren de linkerkant teveel heeft belast en dat zowel medisch adviseur Derks als orthopaedisch chirurg Verhaar hebben aangegeven dat, ondanks het feit dat de aard van het werk en de leeftijd van de werknemer risicofactoren zijn voor het ontwikkelen van schouderklachten, een verband tussen de klachten van de linkerschouder en de functionele beperkingen als gevolg van het letsel van de rechterhand niet boven elke twijfel verheven is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2255 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 maart 2008, 07/1260 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Daarbij is overgelegd een brief van 6 mei 2008 van medisch adviseur J.M.W.N. Derks en een orthopaedische expertise van prof. dr. J.A.N. Verhaar van 9 mei 2008.

Desgevraagd heeft [naam werknemer], wonende te [woonplaats] (hierna: de werknemer) de Raad doen weten dat hij niet als partij aan het geding in hoger beroep wenst deel te nemen. Tevens is meegedeeld dat de werknemer wel toestemming geeft om zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlage is meegezonden een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 11 juli 2008.

Namens appellante is op het verweerschrift en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Voor appellante is verschenen [hoofd personeelszaken], Hoofd Personeelszaken, bijgestaan door mr. Van Zijl en medisch adviseur Derks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 4 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 november 2006, waarbij het Uwv heeft geweigerd de uitkering van de werknemer ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onder toepassing van artikel 39a van de WAO te herzien.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat de toename van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer is voortgekomen uit een andere oorzaak dan de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de werknemer een WAO-uitkering genoot.

3. Namens appellante is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de klachten aan de linkerschouder van de werknemer voortkomen uit de beperkingen ten gevolge van letsel aan de rechterhand, uit welk letsel de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid voortkwam zodat wel degelijk sprake is van dezelfde oorzaak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De werknemer is in 1979 uitgevallen voor zijn werk als voorman steigerbouwer vanwege een amputatie van rechterduim en wijsvinger door een bedrijfsongeval. Aan hem is in 1980 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De mate van arbeidsongeschiktheid is in de loop der jaren een aantal malen gewijzigd in verband met hervatting in werk bij verschillende werkgevers en andere medische klachten. Met ingang van 1 juni 2003 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%.

4.2. Sinds 29 januari 2001 is de werknemer bij appellante in dienst getreden als sloper voor 32 uur per week. Op 6 maart 2006 is hij uitgevallen voor dat werk wegens klachten aan zijn linkerschouder.

4.3. Naar aanleiding van de aanvraag om verhoging van de WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid, heeft de arts O.E.H. Sartorius de werknemer onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van de werknemer. Sartorius heeft geconcludeerd dat de toename van de medische beperkingen voortkomt uit een andere ziekteoorzaak en een verkorte wachttijd derhalve niet aan de orde is. Zijn inziens geeft de werknemer weliswaar aan dat de linkerschouderklachten zijn ontstaan omdat hij minder met de rechterhand doet, maar is uit de anamnese duidelijk dat hij eigenlijk alles met de rechterhand doet zodat er geen aanwijzingen zijn dat hij deze hand significant minder gebruikt. Daarnaast stelt hij dat het gelet op de werkzaamheden van de werknemer niet ongebruikelijk is dat er schouderklachten ontstaan, ook indien de rechterhand geen beperkingen heeft.

4.4. In het kader van het bezwaar heeft appellante rapporten overgelegd van medisch adviseur Derks van 13 februari 2007 en 23 maart 2007. Derks concludeert dat sprake is van een verhoogde kans op het ontstaan van schouderklachten links ten gevolge van de beperkingen aan de rechterhand. Ziens inziens is de werknemer ter compensatie van de beperkingen in de belastbaarheid van de rechterhand, zijn linkerhand en linkerarm meer dan gebruikelijk gaan belasten. Hij acht daarbij van belang dat de werknemer bij het gebruik van (mechanisch) gereedschap waarbij hij veel kracht moet gebruiken met rechts tekort zal komen en dan zijn linkerzijde zal hebben ingeschakeld.

4.5. Op 29 maart 2007 heeft bezwaarverzekeringsarts Admiraal rapport uitgebracht. Hij is met Sartorius van mening dat van dezelfde ziekteoorzaak geen sprake is. Naar zijn mening kan uit het feit dat de werknemer van 2001 tot 2006 schouder-, arm- en handbelastende arbeid als sloper heeft verricht niet anders worden geconcludeerd dan dat hij over een uitstekende handbelastbaarheid rechts beschikte ondanks het missen van duim en wijsvinger. Zijn inziens is er gezien de normale, zelfs bovennormale belastbaarheid van de rechterhand op het gebied van de grove motoriek en kracht geen enkele noodzaak geweest om de rechterhand te sparen en de linkerzijde te gaan overbelasten. Daarbij acht hij van belang dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat de werknemer zeer kort na de ziekmelding ook een bursitusbeeld rechts had ontwikkeld, wat zijn inziens pleit voor een relatie met algehele schouderbelasting in het werk als sloper.

4.6. In beroep hebben zowel medisch adviseur Derks als de bezwaarverzekeringsarts hun standpunten gehandhaafd.

4.7. In hoger beroep is namens appellante een expertise van orthopaedisch chirurg Verhaar van 9 mei 2008 in het geding gebracht. Verhaar komt tot de conclusie dat een verband tussen de klachten van de linkerschouder en de functionele beperkingen als gevolg van het letsel van de rechterhand “niet buiten elke twijfel verheven onrealistisch is”. Daartoe heeft hij gesteld dat amputatie van een of meerdere vingers naast vermindering van de coördinatie ook leidt tot krachtsverlies. Dit kan gecompenseerd worden door gebruik te maken van de andere arm. Door dit compensatiemechanisme blijkt de kracht in de niet dominante arm groter te worden. Vanuit dit perspectief acht Verhaar het denkbaar dat bij de werknemer de linkerarm dominant is geworden, zeker waar het kracht zetten betreft. Omdat de werknemer zwaar belastend werk moest doen is de gedachte dat de linkerarm flink gebruikt moest worden reëel. Daarbij geeft Verhaar tevens aan dat een persoon deze klachten gelet op de aard van de arbeid en de leeftijd ook zonder dat hem een ongeval was overkomen zou kunnen ontwikkelen. Echter het handletsel aan de rechterzijde kan ook geleid hebben tot compensatie voor het verlies van kracht en coördinatie in de linkerarm. Op grond daarvan zou een overbelasting van de linker bovenste extremiteit kunnen zijn opgetreden wat een bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van de schouderklachten links.

4.8. Bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft in reactie op de expertise van de orthopaed op 11 juli 2008 gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de werknemer voor uitval zijn sloopwerkzaamheden met de linkerarm heeft verricht en zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

5.1. Uit de jurisprudentie van de Raad (o.a. de uitspraak van 31 januari 2006, LJN AV0804 en van 7 september 2007, LJN BB4029) komt naar voren dat toepassing van de (verkorte) wachttijd van vier weken ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO slechts dan niet aan de orde is als buiten twijfel staat dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Dit betekent in dit geval dat buiten twijfel moet staan dat het letsel aan de rechterhand niet (mede) de oorzaak vormt van (het daadwerkelijk ontstaan van) de toegenomen arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

5.2. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv er ten aanzien van de werknemer niet in geslaagd buiten twijfel te stellen dat van het oorzakelijk verband, als hiervoor aangegeven, geen sprake is. Daartoe heeft de Raad laten wegen dat de werknemer bij zijn aanvraag heeft gesteld dat hij ten gevolge van het letsel aan zijn rechterhand de afgelopen jaren de linkerkant teveel heeft belast en dat zowel medisch adviseur Derks als orthopaedisch chirurg Verhaar hebben aangegeven dat, ondanks het feit dat de aard van het werk en de leeftijd van de werknemer risicofactoren zijn voor het ontwikkelen van schouderklachten, een verband tussen de klachten van de linkerschouder en de functionele beperkingen als gevolg van het letsel van de rechterhand niet boven elke twijfel verheven is.

5.3. De overwegingen 5.1 en 5.2 leiden de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden.

6.1. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en € 11,00 aan kosten van het uittreksel handelsregister in eerste aanleg en aan € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

6.2. Ten aanzien van de kosten van de in beroep en hoger beroep ingeschakelde medische adviseur Derks overweegt de Raad het volgende. De gemachtigde van appellante heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de kosten van Derks en hem daarbij voor zijn optreden ter zitting als arts-gemachtigde aan te merken en voor het uitbrengen van de medische rapporten als een door een partij ingeschakelde deskundige. De Raad wijst er echter op dat in artikel 1, aanhef en onder f, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een specifieke regeling is opgenomen voor het vergoeden van de kosten van het inschakelen van een arts-gemachtigde. Deze houdt in dat de kosten van het als gemachtigde optreden van een arts slechts voor vergoeding in aanmerking komen in zaken waarin enig voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is. Nu in dit geval de werknemer, zowel in beroep als in hoger beroep, toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen, is daarvan hier geen sprake. De kosten van Derks in zijn gestelde hoedanigheid als arts-gemachtigde kunnen om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.3. De kosten voor het in beroep en hoger beroep inschakelen van Derks als partijdeskundige komen wel voor vergoeding in aanmerking evenals de kosten van Verhaar welke in hoger beroep is ingeschakeld als partijdeskundige. De Raad stelt deze vergoeding vast op een forfaitair bedrag van € 101,54 voor de kosten in beroep en een bedrag van € 283,85 voor de kosten in hoger beroep.

6.4. Derhalve bedraagt de totale vergoeding voor de proceskosten € 1.684,39.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.684,39;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 285,- in beroep, alsmede € 433,- in hoger beroep, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR