Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08-2851 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toe te kennen met terugwerkende kracht. Appellante heeft niet gelijktijdig met haar aanvraag van 22 september 2005 om algemene bijstand ook een aanvraag om woonkostentoeslag ingediend. Van een daarna - vóór 18 mei 2006 - ingediende aanvraag om woonkostentoeslag is de Raad evenmin gebleken. De omstandigheid dat naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2005 alsnog met ingang van 22 september 2005 aan appellante algemene bijstand is verleend, is geen bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2851 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 april 2008, 07/2122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft bij besluit van 15 september 2005 een aanvraag van appellante van 5 augustus 2005 om een woonkostentoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

1.2. Appellante heeft, nadat het College bij besluiten van 30 juni 2005 en 1 september 2005 twee eerdere aanvragen van appellante om algemene bijstand had afgewezen, op 22 september 2005 wederom een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 13 oktober 2005 afgewezen. Bij besluit van

8 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2005 gegrond verklaard en bij besluit van 2 juni 2006 aan appellante alsnog met ingang van 22 september 2005 algemene bijstand verleend.

1.3. Op 18 mei 2006 heeft appellante bij het College wederom een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend.

1.4. Bij besluit van 2 november 2006 heeft het College aan appellante over de periode van 1 mei 2006 tot en met 30 juni 2006 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend.

1.5. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2006 ongegrond verklaard. Daaraan ligt, kort gezegd, ten grondslag dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om aan appellante reeds met ingang van 22 september 2005 een woonkostentoeslag toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het College terecht heeft geweigerd aan appellante over de periode van 22 september 2005 tot 1 mei 2006 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toe te kennen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellante gelijktijdig met haar aanvraag van 22 september 2005 om algemene bijstand ook een aanvraag om woonkostentoeslag heeft ingediend. Van een daarna - vóór 18 mei 2006 - ingediende aanvraag om woonkostentoeslag is de Raad evenmin gebleken. De Raad is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2005 alsnog met ingang van 22 september 2005 aan appellante algemene bijstand is verleend, geen bijzondere omstandigheid in voormelde zin oplevert. Ook in hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die toekenning van een woonkostentoeslag met ingang van 22 september 2005 rechtvaardigen.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

AV