Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
09-1817 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is niet onzorgvuldig of niet onvolledig geweest en heeft niet geleid tot conclusies die niet voor juist kunnen worden gehouden.

Nu de bezwaarverzekeringsarts in de bezwarenprocedure de beschikking had over alle relevante medische gegevens met betrekking tot de datum in geding en deze gegevens blijkens zijn rapport bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, zijn de eventuele gebreken in de primaire besluitvorming hersteld.Geen aanleiding voor urenbeperking naast de daarin reeds opgenomen medische beperkingen. Geschikhteid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1817 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 februari 2009, 08/5390 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met daarbij gevoegd een reactie van bezwaarverzekeringsarts P. Momberg ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 9 februari 2010 een nadere reactie van bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1968, heeft op 12 april 2007 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd omdat zij zich sinds 1 november 1993 arbeidsongeschikt acht in verband met psychische klachten.

1.2. Op 16 juli 2007 is appellante gezien door verzekeringsarts J.F. den Otter. Naar aanleiding van bestudering van de vragenlijst, de door appellante ingebrachte medische stukken, het dossier en haar eigen onderzoek, achtte zij appellante geschikt voor werkzaamheden die niet te hectisch zijn, dat wil zeggen werkzaamheden zonder veel onderbrekingen en zonder hoge tijdsdruk, maar wel geschikt voor werkzaamheden met afgebakende taken zonder intensieve klantcontacten, met name geen conflicthantering. Omdat Den Otter, ondanks diverse rappellen, geen aanvullende informatie heeft ontvangen van behandelend psychiater J.L. Bliek, heeft zij overeenkomstig haar bevindingen op 23 oktober 2007 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Naar aanleiding van de uitkomsten van het arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2007 geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat zij op en na 31 oktober 1994 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.3. Onder overlegging van gegevens van de medische behandeling van appellante in de periode 4 november 1993 tot en met 1 juni 1994 in ziekenhuis Overvecht, afdeling psychiatrie, een brief van psychiater I. Hazenberg-Langerová van 16 januari 2003, een brief van GGD-arts G.D. de Loor van 12 juni 2006, brieven van behandelend psychiater J.L. Bliek van 8 mei 2006 en 21 april 2008 en een journaal van de huisarts over de periode 1979 tot en met 2006, is namens appellante in bezwaar aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld omdat de verzekeringsarts onvoldoende onderzoek heeft verricht naar haar psychische klachten en heeft verzuimd de gegevens van de medische behandeling in psychiatrisch ziekenhuis Overvecht bij de beoordeling te betrekken.

1.4. Bezwaarverzekeringsarts Momberg heeft na bestudering van het dossier en de door appellante overgelegde gegevens de door Den Otter vastgestelde diagnose en beperkingen in een rapport van 5 mei 2008 bevestigd. Bezwaararbeidsdeskundige R.H. Boel heeft in zijn rapport van 30 mei 2008 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige. Bij besluit van 11 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat en voor zover hier van belang - overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onvoldoende te achten. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante te twijfelen. De informatie van behandelend psychiater Bliek van 8 mei 2006 gaf daar geen aanknopingspunten voor.

3. In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten omdat de verzekeringsarts ten tijde van de beoordeling niet de beschikking had over alle medische gegevens en omdat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van behandelend psychiater Bliek niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Voorts is gesteld dat de slaapproblemen en het energieverlies tot het aannemen van een urenbeperking hadden moeten leiden. Tot slot is appellante van mening dat de rechtbank ten onrechte geen psychiater als deskundige heeft benoemd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Niet is kunnen blijken dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op basis waarvan het bestreden besluit is genomen, niet zorgvuldig of niet volledig is geweest dan wel heeft geleid tot conclusies die niet voor juist kunnen worden gehouden.

Verzekeringsarts Den Otter heeft appellante gezien, heeft de door appellante ingevulde vragenlijst en de door haar ingebrachte medische stukken bestudeerd en dossierstudie verricht. Voorts heeft bezwaarverzekeringsarts Momberg de door appellante in bezwaar ingebrachte medische informatie, waaronder de hiervoor genoemde gegevens van de medische behandeling van appellante in ziekenhuis Overvecht in de periode van 4 november 1993 tot en met 1 juni 1994 en de brieven van behandelend psychiater Bliek van 8 mei 2006 en 21 april 2008, bij zijn oordeelsvorming betrokken. Nu Momberg in de bezwarenprocedure de beschikking had over alle relevante medische gegevens met betrekking tot de datum in geding en deze gegevens blijkens zijn rapport bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, zijn de eventuele gebreken in de primaire besluitvorming hersteld.

4.2. De Raad heeft ook geen aanknopingspunten kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van de door Den Otter op basis van haar onderzoek getrokken conclusies die zijn bevestigd door Momberg. Dat Den Otter heeft geconcludeerd dat de medische situatie en de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 31 oktober 1994, gelijk is te stellen met de situatie op 26 juli 1999, de datum met ingang waarvan aan appellante een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is geweigerd, doet daar - anders dan de gemachtigde van appellante stelt - niet aan af. Blijkens het rapport van 16 juli 2007 heeft Den Otter met deze conclusie slechts willen vaststellen dat appellante na het ontstaan van haar psychische klachten in 1993, toch enkele jaren tot aan haar uitval in 1999 heeft kunnen werken, maar niet meer op haar vroegere niveau van functioneren is gekomen. Deze vaststelling neemt echter niet weg dat Den Otter appellantes belastbaarheid op de datum in geding heeft beoordeeld en vastgesteld.

4.3. Met betrekking tot de vraag of in de FML ook nog een urenbeperking had moeten worden opgenomen, is de Raad van oordeel dat daartoe geen aanleiding is naast de daarin reeds opgenomen medische beperkingen. Uit de medische informatie blijkt dat appellante in november 1993 voor de duur van 8 weken is behandeld voor in- en doorslaapproblemen, de aansluitende therapie zich op andere klachten richtte en op de datum in geding geen sprake meer was van slaapproblematiek. Het Uwv heeft dan ook terecht afgezien van het aannemen van een urenbeperking.

4.4. Gelet op hetgeen in de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad, terecht geen aanleiding gezien tot het inschakelen van een deskundige waarom door appellante is verzocht.

4.5. De Raad heeft ten slotte geen aanknopingspunten gevonden om de in het kader van de onderhavige schatting geselecteerde functies medisch niet passend te achten.

5. Gelet op het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR