Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
09-2116 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van rechtens onaantastbare besluiten. Tegenover het uitgebreide deskundigenrapport van neuroloog Brunt kon in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met de enkele opmerking dat dit rapport geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 15 mei 2009 gemotiveerd uiteengezet dat het door Brunt geschetste beeld van de gezondheidstoestand van betrokkene niet essentieel afwijkt van het beeld dat de verzekeringsarts heeft beschreven in de rapportages die zijn opgesteld na de onderzoeken in 2002 en 2005. De door betrokkene aan zijn verzoek ten grondslag gelegde medische bescheiden bevatten onvoldoende overtuigende argumenten die het doorbreken van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2116 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2009, 08/1081 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. In dat kader heeft hij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts T. Miedema van 15 mei 2009 ingebracht.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door J.H.A. Terlingen, juridisch adviseur te Giethoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad neemt als vaststaand aan de feiten waarvan de rechtbank, blijkens de voorhanden zijnde stukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak is uitgegaan. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft appellant het verzoek van betrokkene om terug te komen op zijn besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

2.2. Bij besluit van 24 april 2008 heeft het Uwv zijn besluit van 25 maart 2008 gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft, voor zover hier relevant, overwogen dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom appellant de rapportage van neuroloog E.R.P. Brunt van 14 oktober 2007 niet heeft aangemerkt als nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De enkele stelling van appellant dat dit rapport medisch gezien geen nieuwe relevante objectieve gegevens oplevert heeft zij in dit verband onvoldoende geacht.

4. In hoger beroep voert appellant aan dat niet bepalend is dat neuroloog Brunt meer beperkingen aanwezig acht en de (medische) gegevens anders weegt, maar of er nieuwe relevante medische gegevens zijn aangevoerd die een totaal ander licht op de zaak werpen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat tegenover het uitgebreide deskundigenrapport van neuroloog Brunt in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met de enkele opmerking dat dit rapport geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat.

5.3. Bezwaarverzekeringsarts Miedema heeft in zijn rapportage van 15 mei 2009 gemotiveerd uiteengezet dat het door Brunt geschetste beeld van de gezondheidstoestand van betrokkene niet essentieel afwijkt van het beeld dat de verzekeringsarts M. Nasseri heeft beschreven in de rapportages die zijn opgesteld na de onderzoeken in 2002 en 2005. Ter beoordeling staat nu of met deze motivering staande kan worden gehouden dat van nieuwe medische feiten of omstandigheden geen sprake is.

5.4. Miedema heeft naar het oordeel van de Raad terecht tot uitgangspunt genomen dat een andere weging van beschikbare medische gegevens niet is aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Raad onderschrijft de opvatting van Miedema dat Brunt globaal is uitgegaan van dezelfde anamnestische gegevens als Nasseri, te weten klachten van nek en armen, wazig zien en hoofdpijnklachten bij concentratie en spanningen. De door Brunt in zijn rapportage genoemde degeneratieve skeletveranderingen ontbreken in de rapportages van Nasseri. Het is de Raad niet gebleken dat die skeletveranderingen al bestonden ten tijde van de beoordelingen in 2002 en 2005. De Raad acht van belang dat Nasseri bij het onderzoek in 2002 ook de rug van betrokkene heeft bezien en toen geen afwijkingen heeft vastgesteld. De rapportage van Brunt, die geen informatie bevat waaruit kan worden afgeleid vanaf welke datum de skeletveranderingen beperkingen geven voor het verrichten van arbeid, biedt naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het bestaan van rugafwijkingen in 2005.

5.5. De Raad is van oordeel dat de door betrokkene aan zijn verzoek ten grondslag gelegde medische bescheiden onvoldoende overtuigende argumenten bevatten die het doorbreken van de rechtens onaantastbaar geworden besluiten van 30 september 2002 en 7 maart 2005 rechtvaardigen. Nu het Uwv de weigering om op die besluiten terug te komen in hoger beroep alsnog heeft voorzien van een toereikende motivering, zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen behoudens voor zover daarbij aan het Uwv werd opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2008 in stand te laten.

6. De Raad ziet verder aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep bestaande uit de kosten van rechtsbijstand ter zitting van de Raad tot een bedrag van € 322,-. Daarnaast komen nog voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die betrokkene in verband met de zitting heeft moeten maken. Dit betreft een bedrag van € 36,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij aan appellant werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2008 geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 358,40.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR