Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08-7240 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering (45-55%). Voldoende medische grondslag. Geen medische informatie overgelegd die tot de conclusie moet leiden dat een urenbeperking geïndiceerd is. Voldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7240 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] België (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2008, 07/4594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.M. van den Broek, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld en nadere medische gegevens in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadien een nadere reactie van bezwaarverzekeringsarts P. Klootwijk ingediend.

Namens appellante zijn voorts diverse rapporten van revalidatie-arts F. Audoor in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, per 13 augustus 2007 herzien naar 35 tot 45%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 19 december 2007 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij per 13 augustus 2007 ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - kort samengevat en voor zover hier van belang - overwogen dat niet is gebleken dat het onderzoek door de Belgische arts en de (dossier)onderzoeken door de verzekeringsartsen onzorgvuldig zijn geweest en dat appellante geen medische stukken heeft ingebracht op grond waarvan aan hun oordeel, ook met betrekking tot het ontbreken van een aanleiding voor een duurbeperking, getwijfeld zou moeten worden.

3. Appellante heeft in hoger beroep (tegen het op het bestreden besluit betrekking hebbende deel van de aangevallen uitspraak) in essentie haar grieven herhaald en zich op het standpunt gesteld dat haar fysieke klachten ten gevolge van Repetitive Strain Injury (RSI) nog onverkort aanwezig zijn en dat dientengevolge een werkweek van 30 uur het maximaal haalbare is. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst appellante naar een verklaring van huisarts J. Thys van 1 augustus 2007 en naar diverse verklaringen van revalidatiearts Audoor. Ter zitting heeft appellante nog gewezen op het zogenoemde E213-formulier dat door de Belgische arts E. Timmermans ten behoeve van het door het Uwv uit te voeren heronderzoek op 5 januari 2007 is ingevuld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet juist is. De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn het met appellante eens dat er ten opzichte van het verleden nagenoeg geen wijzigingen voor wat betreft haar klachten ten gevolge van RSI zijn opgetreden, maar stellen evenzeer dat er ook nu onvoldoende objectieve gegevens aanwezig zijn om een urenbeperking te rechtvaardigen. De bezwaarverzekeringsarts heeft daartoe op 24 oktober 2007 geconstateerd dat de huisarts van appellante aangeeft dat er met de verschillende subjectieve belemmeringen van appellante weinig of geen rekening is gehouden, maar daarvoor geen medische onderbouwing geeft. Met betrekking tot de verklaring van Audoor van 8 mei 2007 is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat deze geen uitspraak doet met betrekking tot de belastbaarheid van appellante. De Raad ziet geen aanleiding dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Daarbij merkt de Raad nog op dat Timmermans in het E213-formulier weliswaar heeft weergegeven dat appellante momenteel 30 uur per week werkt en dat dit het maximaal haalbare aantal uren is, maar dat deze arts tevens heeft vermeld dat appellante aangepast werk in een volledige dagtaak kan verrichten.

4.1.2. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische informatie overgelegd die de Raad tot de conclusie moet leiden dat een urenbeperking geïndiceerd is. Daarbij acht de Raad van belang dat Audoor in zijn rapport van 24 september 2009 heeft verklaard dat tegen de stelling van het Uwv dat niet vastgesteld kan worden dat langer dan 30 uur per week werken appellantes gezondheid zal schaden, weinig valt in te brengen.

4.2. De Raad heeft zich ook kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend zijn voor appellante.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR