Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
09-2581 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het gebrek van een verzekeringsarts in opleiding in het onderzoek in de primaire fase is hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. Geen gronden om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Appellant voldoet niet aan de criteria van de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Appellant is immers niet opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-erkende inrichting, en is niet bedlegerig, is niet ADL-afhankelijk en er is geen sprake van totaal onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Geduide functies worden passend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2581 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2009, 08/4397 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapportage van 6 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk voltijds werkzaam als vrachtwagenchauffeur en hij is voor dit werk in februari 1999 uitgevallen in verband met depressieve klachten. Aan appellant is met ingang van 16 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met een eenmalige herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De uitkomst van deze beoordeling heeft geleid tot het besluit van 9 mei 2008 waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 juli 2008 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het tegen dat besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts toereikend gemotiveerd waarom appellant niet voldoet aan de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts heeft tevens gemotiveerd aangegeven waarom de Standaard Verminderde Arbeidsduur niet op appellant van toepassing is. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe, medisch geobjectiveerde feiten naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven om de belastbaarheid te herzien. Voor het benoemen van een deskundige heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding gezien. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank aangegeven dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt, zodat deze functies voor appellant geschikt moeten worden geacht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep - kort samengevat - gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellant heeft aangevoerd dat de arts V.R. Evegaars geen verzekeringsarts was en dat er geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft, naar de mening van appellant, onvoldoende gemotiveerd waarom appellant over duurzaam benutbare mogelijkheden zou beschikken. Daarnaast is ten onrechte geen toepassing gegeven aan de Standaard Verminderde arbeidsduur. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant een rapport van 19 mei 2009 van mevrouw Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans, overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door de arts Evegaars, die appellant lichamelijk, zij het summier, en psychisch heeft onderzocht. De rapportage is medeondertekend door verzekeringsarts U. Benie, maar indien dat het gebrek met betrekking tot het lichamelijk onderzoek niet opheft, dan overweegt de Raad als volgt. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft bij haar beoordeling op 21 juli 2008 kennis genomen van de uitgebreid weergegeven gegevens uit de anamnese, neergelegd in het rapport van 21 februari 2008 van Evegaars. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Raad onder meer dat appellant niet onder psychiatrische behandeling stond, dat zijn claimklachten voornamelijk psychisch van aard waren en dat appellant zijn lichamelijke klachten tijdens de hoorzitting op 21 juli 2008 voldoende kenbaar heeft gemaakt aan de bezwaarverzekeringsarts. Gelet hierop en op de aard van die klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad kunnen afzien van een verdergaand lichamelijk onderzoek van appellant. De Raad acht het door appellant gestelde gebrek van een verzekeringsarts in opleiding in het onderzoek in de primaire fase dan ook hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts.

4.2. De Raad heeft in de gronden van het hoger beroep geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Ook de Raad ziet geen gronden om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De primaire arts heeft met de psychische klachten, de linker knieklachten, die appellant bij het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts niet nader kon specificeren, een slaapapneu en een oormyoclonus rekening gehouden bij het opstellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst van 21 februari 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van haar eigen onderzoeksbevindingen geen aanleiding gezien om de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid te herzien. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van haar bevindingen met de voornoemde klachten van appellant op juiste wijze rekening heeft gehouden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat appellant niet voldoet aan de criteria van de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Zij heeft daartoe vastgesteld dat appellant niet is opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-erkende inrichting, niet bedlegerig is, niet ADL-afhankelijk is en er geen sprake is van totaal onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad is tevens van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd dat er geen grond is om een urenbeperking aan te nemen. Verder overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot de appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, te weten wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050), textielproductenmaker (Sbc-code 111160) en sorteerder controleur (Sbc-code 111340), gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant als passend moeten worden beschouwd.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL