Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
09-3115 WAO + 09-3852 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering. 2) Besluit vernietigd door de rechtbank. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit met dezelfde inhoud genomen, voorzien van een nadere onderbouwing. Voldoende medische grondslag. Met de nadere onderbouwing zijn ook de geschiktheid van de geduide functies en de signaleringen voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3115 WAO

09/3852 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 april 2009, 08/3309

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een besluit, gedateerd 16 juni 2009, overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellante is verschenen, met bijstand van I.T. Martens, als haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster voor 20 uur per week. Zij is uitgevallen in verband met lichamelijke klachten. Per 31 december 1988 is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een eenmalige herbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is bij besluit van 26 oktober 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 december 2007 ingetrokken, op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum op minder dan 15% moet worden gesteld. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2007, is bij besluit van 10 juni 2008 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit rust op een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige herbeoordeling.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank kon zich verenigen met de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. Zij achtte het medische onderzoek dat aan dat besluit vooraf was gegaan zorgvuldig en zij had geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek. De arbeidskundige grondslag van dit besluit kon de toetsing van de rechtbank niet doorstaan. Van een van de ten aanzien van appellante via het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geselecteerde functies, chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) was een zogenoemde signalering ten onrechte eerst voldoende toegelicht ter zitting van de rechtbank. Ook heeft het Uwv eerst ter zitting gemotiveerd waarom het enkele feit dat appellante bepaalde medicijnen gebruikt niet maakt dat functies, in het bijzonder die van chauffeur bijzonder vervoer, niet ongeschikt zijn. Nu appellante dit in bezwaar had aangevoerd, had de motivering bij het bestreden besluit gegeven moeten worden. Daarom al kwam dit bestreden besluit voor vernietiging door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank heeft geen reden gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft zij overwogen dat de signalering bij een bepaald item van de functies telefonist, receptionist (Sbc-code 315120), chauffeur bijzonder vervoer (Sbc-code 282101) en assistent consultatiebureau (Sbc-code 372091) in het rapport van arbeidsdeskundige J.J.W. van de Brandenburg van 3 september 2007 en in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren van 6 juni 2008 niet nader zijn gemotiveerd. Het Uwv heeft volgens de rechtbank daarom onvoldoende inzicht geboden hoe het tot de conclusie komt dat de geduide functies als passend kunnen worden aangemerkt.

3. Alleen appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. In het inleidend hoger beroepschrift heeft zij alleen verwezen naar al hetgeen zij in bezwaar en beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Voorts heeft zij eerst bij brieven van

26 februari 2010 en 9 maart 2010 stukken ingediend ter ondersteuning van haar eerder opgeworpen stelling dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn vanwege het aan haar voorgeschreven medicijngebruik.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Het bij brief van 9 maart 2010 ingediende stuk laat de Raad buiten beschouwing. Het gaat om een stuk van 23 bladzijden dat is ingediend binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelde termijn. Het stuk is gedateerd 25 september 2008. De Raad ziet geen reden waarom het niet eerder dan op 9 maart 2010 ingediend had kunnen worden.

4.3. Het Uwv heeft zijn standpunt over de belastbaarheid van appellante gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts H.R.E. de Wild van 22 januari 2007 en de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 14 mei 2008, waarin de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is neergelegd. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten aanwezig geacht voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Het Uwv mocht daarom uitgaan van de juistheid daarvan en heeft op goede gronden geoordeeld dat per 27 december 2007 geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke tot uitdrukking zijn gebracht in de ten aanzien van appellante opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 juli 2007.

4.3.1. De bezwaarverzekeringsarts Huijsmans heeft in het rapport van 14 mei 2008 de klachten van appellante en de zich in het dossier bevindende medische stukken weergegeven. Bij de heroverweging heeft de bezwaarverzekeringsarts het rapport van de verzekeringsarts De Wild van 22 januari 2007, alsmede de voorhanden medische stukken betrokken, zoals het schrijven van huisarts A.J. van Leeuwen van 16 januari 2008 en de brief van reumatoloog G.A. van Albada-Kuipers van 13 maart 1995. Niet gebleken is dat de bezwaarverzekeringsarts relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante heeft gemist die ertoe leiden dat in de FML van 25 juli 2007 verdergaande beperkingen dienen te worden opgenomen. Hetgeen appellante met betrekking tot haar medische beperkingen naar voren heeft gebracht wordt niet onderbouwd met nadere schriftelijke medische stukken.

4.3.2. Ook de stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen, treft, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen doel. Een urenbeperking is door de bezwaarverzekeringsarts niet aangewezen geacht omdat appellante niet om medisch objectiveerbare reden geen volle werkdag actief kan zijn. In passend werk, rekening houdend met de beperkingen zoals weergegeven in FML, is appellante in staat de aangeduide uren te werken. Ook naar het oordeel van de Raad is het niet aannemen van een urenbeperking voldoende gemotiveerd en berust dit op een afdoende onderzoek.

4.3.3. Appellante is voorts van mening dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht nu de (bezwaar)verzekeringsarts appellante tijdens het spreekuur niet lichamelijk heeft onderzocht en niet conform het Verzekeringsgeneeskundig protocol aspecifieke lage rugpijn (het protocol) heeft gehandeld. Uit het rapport van de verzekeringsarts De Wild, zo heeft de rechtbank terecht overwogen, blijkt dat de verzekeringsarts appellante wel op het spreekuur heeft gezien en lichamelijk heeft onderzocht waarbij ook de rug conform het Protocol van de Gezondheidsraad, opgenomen als bijlage in de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (de Regeling) is nagekeken. Dat het Uwv in het bestreden besluit niet ingegaan is op het gestelde met betrekking tot het protocol levert geen strijd op met artikel 7:11 van de Awb, nu in dat besluit verwezen is naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. In dit rapport is bij de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts ook meegenomen of het onderzoek door de verzekeringsarts volledig is geweest. Onjuist is voorts de stelling van appellante dat van de protocollen niet kan worden afgeweken. In de toelichting op de Regeling is vermeld dat van een protocol gemotiveerd kan worden afgeweken indien de individuele omstandigheden daartoe nopen. Voorts verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 16 september 2009, LJN BJ7873, waarin is overwogen dat een protocol geen checklist is. In het onderhavige geval heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om zulke omstandigheden aan te nemen. Dat in de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts niet elk onderdeel van het protocol is besproken acht de Raad met de rechtbank dus niet onzorgvuldig.

4.3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts niet gehouden was om appellante lichamelijk te onderzoeken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het uitsluitend verrichten van dossieronderzoek door de bezwaarverzekerings-arts niet zonder meer onzorgvuldig, zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 1 juli 2008, LJN BD7015 en 13 maart 2002, LJN AE1875. Geoordeeld moet dan ook worden dat appellante op de in geding zijnde datum in staat was arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.

4.4. In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn de in 2 vermelde functies geduid die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Deze functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het Uwv deze functies ten onrechte heeft geduid heeft de rechtbank overwogen dat ter zitting het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout van 10 maart 2009 heeft overgelegd waarin de medische geschiktheid van de functies wordt toegelicht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het feit dat de toelichting afkomstig is van een arts en niet van een arbeidsdeskundige niet met zich brengt - zoals door appellante is gesteld - dat aan deze toelichting geen waarde kan worden gehecht. Gelet op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het beroep ten aanzien van het aspect tillen in de functie assistent consultatiebureau heeft vermeld is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat het aspect tillen aan het verrichten van de functie niet in de weg staat. De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank. Over de functie van chauffeur bijzonder vervoer overweegt de Raad dat hij met kennelijk de rechtbank van oordeel is dat deze functie vanuit medisch oogpunt kan worden uitgevoerd, ondanks appellantes rugklachten in combinatie met de overige klachten. In het rapport van Rombout is vermeld dat het medicatiegebruik van appellante beroepsmatig autorijden niet in de weg staat. Bijwerkingen van medicatiegebruik zijn individueel bepaald en uit het bij appellante verrichte onderzoek komt niet naar voren dat zij evidente bijwerkingen ondervindt. De Raad heeft geen op de concrete gezondheidstoestand van appellante betrekking hebbende aanwijzingen aangetroffen die twijfel rechtvaardigen aan deze bevinding van de bezwaarverzekeringsarts. In het bijzonder leidt de brief van

5 februari 2010 van huisarts Van Leeuwen niet tot twijfel. Deze arts vermeldt in zijn brief niets over eventuele bijwerkingen van bepaalde medicijnen die appellante heeft gebruikt.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

4.6. Het besluit van 16 juni 2009 is genomen ingevolge de opdracht van de rechtbank en komt niet geheel tegemoet aan het beroep van appellante. Dat besluit zal de Raad ingevolge artikel 6:19 en 6:24 van de Awb beoordelen.

4.6.1. In dit besluit wordt het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2007 opnieuw ongegrond verklaard. Het is gebaseerd op een rapport van 5 juni 2009 van bezwaararbeidsdeskundige Van Kesteren. In de rubriek 2.2.3.1 van dat rapport wordt verslag gedaan van een met bezwaarverzekeringsarts Huijsmans op 4 juni 2009 gehouden overleg. In rubriek 2.2.4 van dat rapport worden de signaleringen bij de geduide functies toegelicht. De Raad acht deze toelichting inzichtelijk. Aldus is thans voldoende gemotiveerd dat de geduide functies voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn.

4.6.2. Hetgeen in 4.6.1 is overwogen leidt ertoe dat het beroep tegen het besluit van

16 juni 2009 ongegrond moet worden verklaard.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

GdJ