Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
09-5484 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor eigen werk. Geen aanleiding om de werkomschrijving in het rapport van 16 februari 2010 voor onjuist te houden en voorts is het rapport voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het is arbeid die bij een soortgelijke werkgever voorkomt en de omschrijving komt overeen met de eerder vastgestelde werkanamnese van de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de beenklachten merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat een van de adviezen om claudicatioklachten tegen te gaan juist bestaat uit het trachten uit te breiden van het lopen, waarmee collateraalvorming van bloedvaten gestimuleerd wordt. Beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5484 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 augustus 2009, 09/1377(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. A. Bozbey, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Voor appellant is verschenen mr. M.A.B. Vogt. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bozbey en vergezeld door tolk S. Sevük Ömür. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar de laatstelijk verrichte arbeid van betrokkene.

Bij schrijven van 26 februari 2010 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 februari 2010 overgelegd. Zijdens betrokkene is op 1 april 2010 op dit rapport gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft zich op 18 juni 2008 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet vanwege maagklachten en psychische klachten. Daarvoor was hij laatstelijk werkzaam als medewerker plantsoenendienst.

2. Naar aanleiding van deze ziekmelding is betrokkene ingevolge de Ziektewet (ZW) op 23 september 2008 door arts A. Doerga en op 5 januari 2009 door bedrijfsarts E. von Bóné onderzocht. Laatstgenoemde is tot de conclusie gekomen dat betrokkene op en na 12 januari 2009 geschikt is te achten voor zijn laatstelijk verrichte arbeid. Bij besluit van 5 januari 2009 is aan appellant per 12 januari 2009 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. Naar aanleiding van het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft op 10 februari 2009 een hoorzitting plaatsgevonden en is betrokkene aansluitend onderzocht door bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker. Het bezwaar van betrokkene is door appellant bij besluit van 11 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 11 februari 2009 vernietigd, bepaald dat appellant met in achtneming van haar uitspraak een nieuw besluit neemt en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts er vanuit is gegaan dat betrokkene vanwege zijn beenklachten beperkt is met betrekking tot actieve inspanning van de benen (zoals bij lopen, fietsen en herhaaldelijk springen), maar niettemin zijn arbeid toch wel kan verrichten, omdat in de arbeid van betrokkene het staan af en toe wordt afgewisseld met kort lopen of andere vormen van actieve beenbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts niet welk onderzoek ten aanzien van de beenklachten is verricht en welke uitkomst dat heeft opgeleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit van 11 februari 2009 wegens onvoldoende zorgvuldigheid en een gebrekkige motivering moet worden vernietigd.

4. Appellant kan zich niet verenigen met deze uitspraak en stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2009, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 11 februari 2009, zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk correct is. Aanvullend verwijst appellant naar een toelichting van de bezwaarverzekeringsarts van 22 september 2009.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

5.3. Ter zitting bij de Raad is door betrokkene naar voren gebracht dat hij tijdens zijn laatstelijk verrichte werkzaamheden als medewerker plantsoenendienst veel moest lopen. Om duidelijkheid te krijgen over de aard van de werkzaamheden, met name ten aanzien van de aspecten lopen en staan, is door een bezwaararbeidsdeskundige aanvullend onderzoek verricht. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 februari 2010 komt naar voren dat het werk voornamelijk bestond uit staan met af en toe een paar passen ter vertreding. De Raad ziet geen aanleiding om de werkomschrijving in het rapport van 16 februari 2010 voor onjuist te houden en is van oordeel dat het rapport voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Het is arbeid die bij een soortgelijke werkgever voorkomt en de omschrijving komt overeen met de eerder vastgestelde werkanamnese van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 10 februari 2009.

5.4. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de claudicatioklachten (etalage benen) van betrokkene voldoende zorgvuldig heeft beoordeeld. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2009 blijkt dat rekening is gehouden met de beenklachten, dat betrokkene na ongeveer 100 meter lopen even moet stoppen en dat staan geen belasting vormt die vermeden moet worden. Daarnaast verwijst de Raad naar de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts van 22 september 2009 waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat arbeid waarbij samengesteld over de dag veel gelopen wordt geen probleem is, als er voldoende afwisseling met staan mogelijk is. Ook merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat een van de adviezen om claudicatioklachten tegen te gaan juist bestaat uit het trachten uit te breiden van het lopen, waarmee collateraalvorming van bloedvaten gestimuleerd wordt. De beenklachten zijn door betrokkene pas tijdens de bezwaarprocedure naar voren gebracht en uit het dossier blijkt niet dat betrokkene ten tijde in geding werd behandeld voor deze klachten. De door betrokkene overgelegde verklaringen zijn van na de datum in geding en geven geen aanleiding om het standpunt van betrokkene, dat zijn beenklachten zijn onderschat door de bezwaarverzekeringsarts, te volgen.

5.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.4 is de Raad van oordeel dat appellant zich in het besluit van 11 februari 2009 terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene op de datum in geding in staat was om zijn arbeid te verrichten en op goede gronden heeft besloten betrokkene niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

5.6. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 11 februari 2009 wordt ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 11 februari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

KR