Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08-7207 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van een onherroepelijk besluit aangaande een duuraanspraak op WW-uitkering (hoogtedagloon). Niet gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor de periode vanaf de datum vanaf het verzoek van 27 juni 2007 heeft het Uwv terecht geen rekening gehouden met de volledige waarde van de vakantiebonnen, zodat voor het Uwv ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om terug te komen van het besluit van 13 februari 2007 voor zover het betreft de hoogte van het dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7207 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 november 2008, 08/172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.T. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2010. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Langius, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Eiser was gedurende 37,5 uur per week werkzaam als schilder in dienst van de [werkgever]. Hij heeft zich op 8 november 2004 ziek gemeld. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft het Uwv geweigerd aan appellant op diens verzoek met ingang van 6 november 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.

1.2. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 6 november 2006 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend naar een dagloon van € 112,40. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Bij brief van 27 juni 2007 heeft appellant het Uwv laten weten dat naar zijn mening zijn WW-dagloon te laag is vastgesteld. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het Uwv aan appellant uitleg gegeven over de vaststelling van dat dagloon en de hoogte van dat dagloon ongewijzigd gelaten. Bij brief van 13 september 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uwv om het WW-dagloon te herzien.

1.4. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2007 ongegrond verklaard. De beslissing van 24 augustus 2007 om niet terug te komen van de beslissing van 13 februari 2007 is daarbij gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Appellant bestrijdt in de eerste plaats het oordeel van de rechtbank dat voor de periode tot de datum van het verzoek om terug te komen van het besluit van 13 februari 2007 geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor de periode vanaf de datum van het verzoek is appellant van mening dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagloon te laag is vastgesteld omdat - samengevat - daarin ten onrechte niet de volledige waarde van de vakantiebonnen is verwerkt en omdat daarbij geen rekening is gehouden met het feit dat appellant in bepaalde periodes minder dan het gebruikelijke loon heeft ontvangen door het opnemen van vrije dagen, waarvoor vakantiebonnen werden verzilverd en waarvan, als gezegd, niet de volledige waarde in aanmerking werd genomen. Dit alles pakt erg nadelig voor hem uit, aldus appellant.

3.2. Het Uwv heeft bepleit dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het toetsingskader in gevallen als deze - waarin sprake is van de weigering om terug te komen van een onherroepelijk besluit aangaande een duuraanspraak op uitkering - verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor de periode van 6 november 2006 tot de datum van het verzoek van 27 juni 2007 niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ertoe moeten leiden dat van het besluit van 13 februari 2007 wordt teruggekomen. Appellant had zijn opvatting dat de hoogte van het

WW-dagloon door het Uwv onjuist was vastgesteld naar voren kunnen brengen in een bezwaarschrift daartegen. Hij heeft die gelegenheid evenwel niet benut. De Raad ziet evenals de rechtbank in hetgeen appellant daaromtrent heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit appellant niet kan worden tegengeworpen.

4.2. Voor de periode vanaf de datum vanaf het verzoek van 27 juni 2007 heeft de rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 november 2008, nr. 08/737, dat het Uwv terecht geen rekening heeft gehouden met de volledige waarde van de vakantiebonnen, zodat voor het Uwv ook voor de toekomst geen aanleiding bestond om terug te komen van het besluit van 13 februari 2007 voor zover het betreft de hoogte van het dagloon.

4.3. De Raad komt tot hetzelfde oordeel. Kortheidshalve verwijst de Raad naar zijn - tussen partijen gewezen - uitspraak van heden met procedurenummer 08/7174, waarbij de in 4.2 genoemde uitspraak van de rechtbank in stand is gelaten.

4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ