Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
08-5394 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW ter hoogte van 66% van het pensioen voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellant verzekerd is geweest krachtens de AOW van 20 maart 1965 tot 1 december 1981 en van 1 december 1987 tot 1 januari 2004. De Svb heeft nader vastgesteld dat appellant verzekerd is geweest van 20 maart 1965 tot 9 juli 1980 en van 1 juli 1989 tot 15 mei 2006. Deze tijdvakken leiden tot een verzekerde periode van afgerond 33 jaren, zodat het AOW-pensioen ongewijzigd 66% van het volledige pensioen blijft. Ten aanzien van het door appellant genoemde tijdvak van 1 januari 2004 tot 15 mei 2006 heeft de Svb, naar aanleiding van vragen van de Raad, in hoger beroep expliciet aangegeven dat appellant gedurende dit tijdvak - onvoorwaardelijk - verzekerd is geweest krachtens de AOW. Dit betekent dat de gesignaleerde onduidelijkheid inmiddels is opgeheven en dat met betrekking tot dit tijdvak tussen partijen niet in geschil is dat appellant toen verzekerd was. Voorts heeft de Svb in het bestreden besluit, in afwijking van het primaire besluit, terecht aangenomen dat appellant op 8 juli 1980 naar Spanje is verhuisd. Nu appellant ten tijde van zijn verhuizing naar Spanje een WAO-uitkering ontving berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% was hij vanaf die datum op grond van het toen geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 557 (KB 557) niet langer verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Op grond van KB 557 werd namelijk alleen degene die buiten Nederland woonde in een verdragsland en een WAO-uitkering ontving, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% verplicht verzekerd geacht. Aan deze voorwaarde voldeed appellant niet. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Svb bij het bestreden besluit de verzekerde tijdvakken van appellant juist heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5394 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], La Coruna, Spanje (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2008, 07/1513 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 16 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N.P. Akkerman.

De Raad heeft tijdens die zitting het onderzoek geschorst ten einde de Svb in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen. Bij brief van 2 april 2009 heeft de Svb diverse stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 6 januari 2010. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend. Bij brief van 14 januari 2010 heeft de Svb nadere gegevens verstrekt over de datum waarop appellant naar Spanje is verhuisd. Appellant heeft daarop gereageerd met twee brieven.

Vervolgens hebben partijen toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1941, heeft vanaf medio 1965 enige jaren in Nederland in loondienst gewerkt. Met ingang van 1 augustus 1974 is aan hem een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, aanvankelijk naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en vanaf 24 februari 1977 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. In juli 1980 is appellant teruggekeerd naar Spanje. Vanaf 1 januari 2000 is appellant vrijwillig verzekerd geweest krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Bij besluit van 21 september 2006 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte van 66% van het pensioen voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellant verzekerd is geweest krachtens de AOW van 20 maart 1965 tot 1 december 1981 en van 1 december 1987 tot 1 januari 2004.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft er in het bezwaarschrift met name opgewezen dat hij ook over de jaren 2004 tot en met 2006 vrijwillig verzekerd is geweest voor de AOW.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 27 februari 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant vrijwillig verzekerd is krachtens de AOW tot zijn 65e verjaardag, mits de verschuldigde premie door hem wordt voldaan. Voorts heeft de Svb overwogen dat de verzekerde tijdvakken vanaf het vertrek van appellant naar Spanje niet juist zijn vastgesteld, omdat appellant toen aanvankelijk niet verzekerd was krachtens de AOW, nu zijn WAO-uitkering niet gebaseerd was op een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%. De Svb heeft nader vastgesteld dat appellant verzekerd is geweest van 20 maart 1965 tot 9 juli 1980 en van 1 juli 1989 tot 15 mei 2006. Deze tijdvakken leiden tot een verzekerde periode van afgerond 33 jaren, zodat het AOW-pensioen ongewijzigd 66% van het volledige pensioen blijft.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen procesbelang meer zou hebben. Daarbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat appellant het niet eens is met de stelling dat hij van 2004 tot en met 2006 niet verzekerd is geweest, terwijl uit het bestreden besluit blijkt dat de Svb dit tijdvak inmiddels als verzekerd tijdvak heeft geaccepteerd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf 1965 een band heeft met Nederland, dat hij nooit geweigerd heeft premies te betalen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Allereerst ziet de Raad zich geplaatst voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

4.2. Ten aanzien van dit geschilpunt moet de Raad vaststellen dat het bestreden besluit niet helder is ten aanzien van de vraag of het tijdvak vanaf 2004 als een verzekerd tijdvak is erkend. De vaststelling van de verzekerde tijdvakken wijst er wel op dat dit tijdvak als een verzekerd tijdvak is aangenomen, maar uit de overwegingen lijkt toch te volgen dat deze toekenning slechts voorwaardelijk is. Voorts kan uit het beroepschrift van appellant afgeleid worden dat het hem niet duidelijk was dat de Svb ook wijzigingen te zijnen nadele heeft aangenomen ten aanzien van andere verzekerde jaren. Daarbij wijst de Raad erop dat de Svb niet zorgvuldig heeft gehandeld door appellant niet, al dan niet op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de gelegenheid te bieden te reageren op de nader door de Svb vastgestelde feiten die geleid hebben tot een wijziging van de verzekerde tijdvakken. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat appellant geen procesbelang meer had. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4.3. Ten aanzien van het door appellant genoemde tijdvak van 1 januari 2004 tot 15 mei 2006 heeft de Svb, naar aanleiding van vragen van de Raad, in hoger beroep expliciet aangegeven dat appellant gedurende dit tijdvak - onvoorwaardelijk - verzekerd is geweest krachtens de AOW. Dit betekent dat de hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid inmiddels is opgeheven en dat met betrekking tot dit tijdvak tussen partijen niet in geschil is dat appellant toen verzekerd was.

4.4. Voorts heeft de Svb in het bestreden besluit, in afwijking van het primaire besluit, terecht aangenomen dat appellant op 8 juli 1980 naar Spanje is verhuisd. Appellant heeft deze datum bij brief van 17 maart 2010 bevestigd. Nu appellant ten tijde van zijn verhuizing naar Spanje een WAO-uitkering ontving berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% was hij vanaf die datum op grond van het toen geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 557 (KB 557) niet langer verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Op grond van KB 557 werd namelijk alleen degene die buiten Nederland woonde in een verdragsland en een WAO-uitkering ontving, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% verplicht verzekerd geacht. Aan deze voorwaarde voldeed appellant niet. Vanaf 1 juli 1989, zijnde de datum van inwerkingtreding van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 van 3 mei 1989, Stb. 164 (KB 164) is appellant vanaf 1 juli 1989 weer verplicht verzekerd geacht krachtens de volksverzekeringen. Op grond van KB 164 was verplicht verzekerd degene die wonend buiten Nederland in een verdragsland een WAO-uitkering ontving die ten minste 35% van het minimumloon bedroeg. Aan die voorwaarde voldeed appellant.

4.5. Appellant heeft in zijn brief van 17 maart 2010 nog aangevoerd dat hij, blijkens een brief van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK), vanaf 1 januari 1987 verzekerd is geweest. De Raad merkt naar aanleiding van deze stelling van appellant op dat de brief van het GAK betrekking heeft op de verzekering van appellant voor de Ziekenfondswet en niet op zijn verzekering voor de volksverzekeringen.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Svb bij het bestreden besluit de verzekerde tijdvakken van appellant juist heeft vastgesteld. Dit betekent dat het beroep ongegrond verklaard dient te worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 107,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Pijper.

JL