Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
09-283 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand ingaande 19 juli 2007. In het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI is bepaald dat bij de melding, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB door de CWI of het college met de belanghebbende een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen. Door de CWI onderscheidenlijk het college wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft. In de toelichting op dit artikel is vermeld dat CWI of - in sommige gevallen - de gemeente bij de melding met de belanghebbende een afspraak maakt waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen om elke onduidelijkheid over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen. Tussen partijen is niet in geding en ook voor de Raad staat vast dat appellant zich op 5 juni 2007 bij de CWI heeft gemeld voor het aanvragen van een uitkering op grond van de WWB. Appellant heeft zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 december 2008, LJN BG7980 - op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI moet leiden tot het hanteren van 5 juni 2007 als ingangsdatum van de uitkering. Deze grond slaagt niet. Anders dan in de aangehaalde uitspraak wordt immers door het College en de rechtbank de datum van de eerste melding als uitgangspunt van beoordeling aangehouden. Voorts is de Raad van oordeel dat op grond van hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding is te zien om te oordelen dat appellant van de late indiening van zijn aanvraagformulier geen verwijt kan worden gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/283 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2008, 08/102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 4 mei 2010, waar partijen na daarvan kennis te hebben gegeven niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving tot 21 februari 2007 een bijstandsuitkering in de gemeente Loppersum naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft zich op 30 mei 2007 laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie op het (post)adres [adres 1], te [plaatsnaam]. Appellant heeft zich op 5 juni 2007 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) gemeld voor het aanvragen van een uitkering. Naar aanleiding van deze melding heeft appellant gesproken met J. Blok, medewerkster van het team dak- en thuislozen. Tijdens dit gesprek is gebleken dat appellant geen gehoor wilde geven aan het verzoek van J. Blok om zijn slaapadressen te vermelden. Appellant heeft vervolgens het gesprek beƫindigd zonder dat een aanvraag is ingediend dan wel een vervolgafspraak is gemaakt.

1.2. Bij schrijven van 12 juli 2007 heeft het College naar aanleiding van een namens appellant ingediende klacht te kennen gegeven onder welke voorwaarden een belanghebbende in aanmerking kan komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in de situatie dat de belanghebbende een postadres hanteert. In dat geval moet worden doorgegeven welke slaapadressen worden aangehouden. Voorts is opgemerkt dat een nieuwe melding van appellant in behandeling zal worden genomen door dezelfde contactpersoon.

1.3. Appellant heeft zich vervolgens op 19 juli 2007 opnieuw gemeld bij de CWI voor het aanvragen van een bijstandsuitkering.

1.4. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het College aan appellant bijstand ingevolge de WWB toegekend ingaande 19 juli 2007.

1.5. Bij besluit van 11 december 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 augustus 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de bijstand is toegekend met ingang van de datum van de aanvraag en dat er geen bijzondere omstandigheden gebleken zijn om daarvan af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College de melding op 5 juni 2007 niet als afgedaan had kunnen beschouwen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 44, derde lid, van de WWB volgt dat de bijstand in beginsel verleend wordt met ingang van de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld, tenzij de belanghebbende verwijtbaar de aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. In dat geval is het College bevoegd om als ingangsdatum te hanteren de dag waarop de aanvraag is ingediend. Beoordeeld moet daarom worden of het appellant te verwijten valt dat hij pas op 19 juli 2007 een aanvraagformulier om een bijstandsuitkering heeft ingevuld en ingeleverd. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het tijdens het gesprek van 5 juni 2007 duidelijk was welke informatie van appellant werd verlangd om het recht op een bijstandsuitkering te kunnen vaststellen. Door appellant is niet gesteld dat het veel tijd zou kosten om deze informatie te verkrijgen of te verstrekken. Ook is vast komen te staan dat appellant op 5 juni 2007 heeft geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken en na ruzie hierover is vertrokken. Onder die omstandigheden had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellant gelegen om zich op korte termijn wederom tot de dienst Sociale Zaken en Werk te wenden om de aanvraag in te dienen. Door ongeveer zes weken te wachten met het indienen van een aanvraag heeft appellant de aanvraag niet ten spoedigste ingediend; het College was daarom bevoegd om de datum van het indienen van de aanvraag als ingangsdatum te hanteren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het betreft het oordeel van de rechtbank over de gehanteerde ingangsdatum.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 41, eerste lid, van de WWB is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij de CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door het college van burgemeester en wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld waaruit voortvloeit dat bepaalde aanvragen, in afwijking van de hoofdregel, niet bij de CWI, maar rechtstreeks bij het college moeten worden ingediend.

4.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

4.3. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij het college kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.4. In het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI is bepaald dat bij de melding, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB door de CWI of het college met de belanghebbende een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen. Door de CWI onderscheidenlijk het college wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft. In de toelichting op dit artikel is vermeld dat CWI of - in sommige gevallen - de gemeente bij de melding met de belanghebbende een afspraak maakt waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen om elke onduidelijkheid over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen.

4.5. Tussen partijen is niet in geding en ook voor de Raad staat vast dat appellant zich op 5 juni 2007 bij de CWI heeft gemeld voor het aanvragen van een uitkering op grond van de WWB. Appellant heeft zich - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 december 2008, LJN BG7980 - op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI moet leiden tot het hanteren van 5 juni 2007 als ingangsdatum van de uitkering. Deze grond slaagt niet. Anders dan in de aangehaalde uitspraak wordt immers door het College en de rechtbank de datum van de eerste melding als uitgangspunt van beoordeling aangehouden.

4.6. Voorts is de Raad van oordeel dat op grond van hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding is te zien om te oordelen dat appellant van de late indiening van zijn aanvraagformulier geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad onderschrijft de aangehaalde overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

AV