Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
09-5188 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongegrond verklaring bezwaar tegen het besluit waarbij is geweigerd studiefinanciering toe te kennen over de periode augustus 2005 tot en met juli 2006 voor (het inmiddels hebben gevolgd van) een beroepsbegeleidende leerweg.Evident is dat appellant wat de door hem van augustus 2005 tot en met juli 2006 gevolgde opleiding betreft aan de van dwingend recht zijnde bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Blijkens de door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven schoolverklaring ging het weliswaar om beroepsonderwijs, maar niet om een beroepsopleidende, doch om een beroepsbegeleidende leerweg, terwijl het daarbij ook nog ging om onderwijs in deeltijd. Het thans, evenals in bezwaar en in beroep, voorliggende geschil is toegespitst op de vraag of vanwege de Minister een toezegging is gedaan die ten onrechte niet is gehonoreerd. Op grond van de door appellant als bewijsstukken aangedragen brieven van de Minister van 14 en 20 juni 2007 kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden gekomen tot de conclusie dat de gestelde toezegging is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5188 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 augustus 2009, 08/205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 4 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010.

Voor appellant is verschenen mr. De Vaal, voor de Minister drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 januari 2008 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2007 waarbij is geweigerd aan hem studiefinanciering toe te kennen over de periode augustus 2005 tot en met juli 2006 voor (het inmiddels hebben gevolgd van) een beroepsbegeleidende leerweg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 16 januari 2008 ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

Voor beroepsbegeleidende leerwegopleidingen is geen studiefinanciering mogelijk, zodat het besluit op bezwaar inhoudelijk juist is.

Appellant heeft gesteld dat hem door een medewerker van het servicekantoor van de Minister is gezegd dat hij recht heeft op studiefinanciering vanaf augustus 2005, dat hij in verband daarmee geen bezwaarschrift (tegen twee besluiten van de Minister van 20 juni 2007) behoeft in te dienen en dat zijn doofheid daarbij een medebepalende factor is geweest. Appellant heeft die stelling evenwel niet onderbouwd. De brief van de Minister van 14 juni 2007 - inhoudende dat, omdat appellant een opleiding in het beroepsonderwijs volgt, geen recht op een tegemoetkoming scholieren, maar recht op studiefinanciering bestaat - is van algemene strekking en daardoor onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan appellant een toezegging is gedaan. Bovendien is in die brief vermeld dat recht op studiefinanciering bestaat ingeval van beroepsonderwijs, echter, de gevolgde beroepsbegeleidende leerweg is iets anders.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hem op grond van vanwege de Minister bij hem gewekt vertrouwen studiefinanciering over de bewuste periode toekomt. Ten onrechte is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat aan hem (hij is doof) en zijn vader op het servicekantoor van de Minister is meegedeeld dat aan hem over de bewuste periode voor de door hem gevolgde opleiding studiefinanciering zal worden toegekend, dat geen bezwaarschrift behoeft te worden ingediend tegen de beslissingen tot intrekking van de tegemoetkoming scholieren (vanaf augustus 2005), omdat volgens de behandelend medewerkster studiefinanciering zal worden toegekend vanaf augustus 2005. Die mededeling is gevolgd door brieven van de Minister van 14 en 20 juni 2007, waarin wordt bevestigd dat geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming scholieren, maar op studiefinanciering.

4.1. De Raad ziet onvoldoende aanleiding de rechtbank niet te volgen in haar oordeel en overweegt daartoe het volgende.

4.2. Evident is dat appellant wat de door hem van augustus 2005 tot en met juli 2006 gevolgde opleiding betreft aan de van dwingend recht zijnde bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Blijkens de door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven schoolverklaring ging het weliswaar om beroepsonderwijs, maar niet om een beroepsopleidende, doch om een beroepsbegeleidende leerweg, terwijl het daarbij ook nog ging om onderwijs in deeltijd. Tussen partijen bestaat daarover ook geen verschil van mening.

4.3. Het thans, evenals in bezwaar en in beroep, voorliggende geschil is toegespitst op de vraag of vanwege de Minister een toezegging is gedaan die ten onrechte niet is gehonoreerd.

Niet meer is kunnen worden achterhaald wat er tijdens het bewuste gesprek op het servicekantoor van de Minister (op 30 juli 2007), waarbij appellant zijn aanvraag studiefinanciering vanaf augustus 2005 heeft ingediend, tegen appellant en zijn vader is gezegd. De Minister heeft ontkend dat daar toen een toezegging is gedaan als door appellant is gesteld. Op het op 30 juli 2007 aan de balie van dat kantoor ingediende aanvraagformulier studiefinanciering is bij de vraag of het gaat om een beroepsopleidende dan wel een beroepsbegeleidende leerweg niets aangekruist (terwijl het ging om een niet voor studiefinanciering in aanmerking komende beroepsbegeleidende leerweg). Bij de vraag of het gaat om een voltijdse of deeltijdse opleiding is een kruis geplaatst bij voltijd, wat evenwel niet in overeenstemming is met de schoolverklaring die inhoudt dat het bij de door appellant van augustus tot en met juli 2006 gevolgde opleiding ging om een opleiding in deeltijd, waarvoor evenmin studiefinanciering kan worden toegekend. Onder deze omstandigheden is niet goed voorstelbaar dat er tijdens het gesprek op het servicekantoor van de Minister per augustus 2005 studiefinanciering is toegezegd voor het volgen van de beroepsbegeleidende leerweg.

4.4. Op grond van de door appellant als bewijsstukken aangedragen brieven van de Minister van 14 en 20 juni 2007 kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden gekomen tot de conclusie dat de gestelde toezegging is gedaan.

4.5. In de brief van 14 juni 2007 is vermeld dat bij de behandeling van de schoolverklaring voor Tegemoetkoming scholieren is gebleken dat appellant een opleiding in het beroepsonderwijs (middelbaar) volgt, dat hij voor die opleiding geen recht heeft op een Tegemoetkoming scholieren maar wel recht heeft op studiefinanciering, dat een Tegemoetkoming scholieren alleen kan worden aangevraagd voor een voltijdse dagopleiding in het voortgezet onderwijs, dat de Tegemoetkoming scholieren zal worden ingetrokken en dat aan appellant daarover binnenkort een bericht zal worden gestuurd.

In algemene bewoordingen en op zichzelf juist, is daarin gesteld dat bij een opleiding in het beroepsonderwijs recht bestaat op studiefinanciering. Ingevolge artikel 1.1 van de Wsf 2000 wordt onder beroepsonderwijs in de zin van die wet evenwel slechts een beroepsopleidende leerweg verstaan. In zoverre kan niet worden gesproken van een concrete toezegging. De vraag is of dat anders moet worden, indien daarbij wordt betrokken de in die brief aangehaalde schoolverklaring voor Tegemoetkoming scholieren, daar in die verklaring is aangekruist dat het ging om een beroepsbegeleidende leerweg. Dat wijst enigszins in de richting dat ook daarvoor recht op studiefinanciering bestaat. Echter, daartegenover staat dat in die schoolverklaring tevens is aangekruist dat het ging om deeltijdonderwijs en voorts dat het behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000 - waarvan iedere studerende wordt geacht op de hoogte te zijn, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 27 februari 2004 (LJN AO5094) - dat zowel voor een beroepsbegeleidende leerweg als voor deeltijdonderwijs geen recht op studiefinanciering bestaat. Het had appellant duidelijk kunnen en moeten zijn dat hij over de desbetreffende periode geen recht op studiefinanciering had; zijn handicap maakt dat in dit geval niet anders.

4.6. In de brieven van 20 juni 2007 (Berichten Tegemoetkoming scholieren 2005/4 respectievelijk 2006/2) is vermeld dat bij controle is gebleken dat appellant een tegemoetkoming scholieren heeft gehad van augustus tot en met december 2005 respectievelijk van januari tot en met september 2006, doch dat hij recht op studiefinanciering had, omdat hij een opleiding in het beroepsonderwijs heeft gevolgd, en dat daarom de tegemoetkoming scholieren wordt ingetrokken. Wat de door appellant gevolgde opleiding betreft is daarbij vermeld dat het ging om een voltijds gevolgde opleiding.

Voor die brieven geldt hetzelfde als voor de brief van 14 juni 2007.

5. Gelet op het hiervoor in 4.1 tot en met 4.6 overwogene faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM