Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM8007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
09-3994ZW+09-3996WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekendgeld. Geen toekenning WAO-uitkering, omdat niet aan de vereisten voor het toepassen van een verkorte wachttijd van vier weken is voldaan. Geen toename beperkingen. De per 12 oktober 2006 ingetreden arbeidsongeschiktheid komt niet voort uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke bestond voorafgaande aan 6 maart 2005, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellante is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3994 ZW, 09/3996 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 18 juni 2009, 08/2914 en 08/4226,

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als laborante bij de bloedtransfusie dienst, ontving sinds 15 februari 1989 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 6 maart 2005 is deze uitkering ingetrokken.

1.2. Appellante heeft zich per 12 oktober 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet opnieuw ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is haar een ziekengelduitkering toegekend.

2.1. Bij besluit van 2 augustus 2007 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 3 augustus 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

2.2. Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3.1. In haar bezwaarschrift, gericht tegen voormeld besluit van 2 augustus 2007, heeft appellante tevens aan het Uwv verzocht haar naar aanleiding van voormelde ziekmelding met inachtneming van een wachttijd van vier weken een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.

3.2. Bij brief van 4 februari 2008 is appellante in kennis gesteld van het besluit om haar geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat niet aan de vereisten voor het toepassen van een verkorte wachttijd van vier weken is voldaan.

3.3. Appellante heeft tegen het besluit van 4 februari 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 september 2008 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard.

5. De Raad overweegt het volgende.

09/3994 ZW

5.1. Naar aanleiding van haar ziekmelding van 12 oktober 2006 is appellante verschillende keren op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die vaststelde dat die ziekmelding verband hield met haar psychische klachten ten gevolge van haar echtscheiding. Na een onderzoek op 2 augustus 2007 concludeerde de verzekeringsarts dat de mentale problemen voor appellante geen beperking meer opleverden en dat zij niet langer ongeschikt was voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies van bijvoorbeeld brugwachter, schadecorrespondent of administratief medewerkster.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op 19 januari 2008 op de hoorzitting gezien en mede naar aanleiding hiervan vastgesteld dat, vergeleken met de in 2005 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst, geen sprake is van toegenomen beperkingen. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking genomen dat de recentelijk door appelante geuite gynaecologische klachten ten tijde van de onderhavige hersteldverklaring nog niet bestonden. Dat appellante zich in medisch opzicht meer beperkt achtte dan destijds in het kader van de WAO-beoordeling was vastgesteld, achtte de bezwaarverzekeringsarts, in aanmerking nemend dat appellante ten tijde hier in geding niet onder medische behandeling stond, onvoldoende door de medische gegevens onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dan ook dat appellante op de datum in geding niet ongeschikt was voor ten minste één van vorenbedoelde functies, zijnde in dit geval de maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet.

5.3. De Raad acht de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd en ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd dan ook geen reden om het oordeel van de rechtbank niet te onderschrijven.

09/3996 WAO

5.4. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 7 januari 2009, LJN BH 1047, stelt de Raad vast dat bij de toepassing van artikel 43a van de WAO, de zogeheten wet Amber, antwoord dient te worden gegeven op de vraag of de per 12 oktober 2006 ingetreden arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke bestond voorafgaande aan 6 maart 2005, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellante is ingetrokken.

5.5. De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank ontkennend.

Uit de beschikbare medische gegevens blijkt dat de uitkering die appellante tot 6 maart 2005 heeft ontvangen verband hield met beperkingen als gevolg van rug-, voet- en knieklachten en tevens hyperventilatieklachten, terwijl toen tevens een beperking was aangenomen in verband met klachten van claustrofobie. Destijds werden geen aanwijzingen gevonden voor een psychiatrisch ziektebeeld, terwijl de persoonlijkheidskenmerken van appellante niet als een ziekte werden geduid. De verzekeringsarts die appellant op 31 januari 2008 op het spreekuur heeft gezien, heeft in navolging van de ZW-verzekeringsarts geconstateerd dat appellante per 12 oktober 2006, zich met name arbeidsongeschikt heeft gemeld als gevolg van reactieve psychische klachten samenhangend met psychosociale factoren. Nu de arbeidsongeschiktheid van appellante in de periode voorafgaande aan de intrekking van de WAO-uitkering per 6 maart 2005 niet werd veroorzaakt door beperkingen op het psychische vlak, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat per 12 oktober 2006 geen sprake was van uitval ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak.

5.6. De bezwaarverzekeringsarts, die appellante op 17 juli 2008 op het spreekuur heeft gezien, heeft de conclusie van de verzekeringsarts overgenomen en daarbij erop gewezen dat de reeds bekende lichamelijke klachten in 2006 niet waren gewijzigd.

5.7. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Uit de omstandigheid dat aan appellante met ingang van 12 oktober 2006 een ziekengelduitkering is toegekend kan, anders dan appellante kennelijk beoogt te stellen, niet worden afgeleid dat sprake was van toegenomen beperkingen wegens dezelfde oorzaak als vorenbedoeld.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.7 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

EF