Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
08-5781 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling eerste periode: De Raad ziet In de door appellante aangevoerde omstandigheden geen redenen om aan te nemen dat appellante geen medewerking behoefde te verlenen aan het door de Stichting te verrichten onderzoek. Het ligt immers op de weg van de aanvrager van een indicatiebesluit om de Stichting in de gelegenheid te stellen onderzoek in te stellen naar de in het kader van dat besluit relevante feiten en omstandigheden. In de gedingstukken ziet de Raad geen bevestiging voor de stelling van appellante dat de Stichting het onderzoek naar de zorgbehoefte van het kleinkind zou hebben verbonden aan de voorwaarde van meewerken aan herstel van het contact tussen het kleinkind en zijn vader. Beoordeling tweede periode: De Raad oordeelt dat de Stichting in het niet meewerken aan het benodigde onderzoek terecht aanleiding heeft gezien voor de conclusie dat geen hulpvraag kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5781 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Assen van 13 augustus 2008, 67106/FA RK 08-732, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe (hierna: Stichting)

Datum uitspraak: 2 juni 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.T. Schouwenburg, advocaat te Beilen, hoger beroep ingesteld. Aanvullende gronden van het hoger beroep zijn ingediend door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen.

De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de Stichting nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door [H.], werkzaam bij de Stichting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is de oma van [kleinkind], geboren [in] 1993. [kleinkind] stond van 23 april 2003 tot 24 januari 2007 onder voogdij van de Stichting. Hij heeft in die periode aanvankelijk verbleven in instellingen voor residentiële jeugdzorg te Assen. Appellante trad in die periode op als weekendpleegouder. Ter zitting van de kinderrechter op 4 oktober 2005 hebben partijen, in aanwezigheid van [kleinkind], een vaststellingsovereenkomst gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is dat [kleinkind] verblijf houdt bij appellante, dat deze situatie na een half jaar zal worden geëvalueerd en dat betrokkenen zo nodig hulpverlening in ambulante zin aanvaarden. Sinds 5 oktober 2005 verblijft [kleinkind] bij appellante. Appellante heeft sinds 24 januari 2007 de voogdij over [kleinkind].

1.2. Appellante heeft op 13 december 2005 een aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de jeugdzorg (hierna: WJZ) bij de Stichting ingediend voor een indicatie ten behoeve van de functie verblijf bij pleegouder. Bij brief van 13 april 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een indicatiebesluit. De Stichting heeft bij besluit van 1 augustus 2006 het bezwaar van 13 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft - met een bepaling over proceskosten - bij uitspraak van 16 mei 2007 het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 gegrond verklaard en de Stichting opgedragen binnen zes weken een indicatiebesluit te nemen.

1.3. Appellante heeft vervolgens op grond van het bepaalde bij en krachtens de WJZ op 11 juni 2007 een aanvraag ingediend voor een indicatiebesluit voor de periode per 27 januari 2007.

1.4. De Stichting heeft bij besluit van 6 september 2007 (hierna: besluit 1) [kleinkind] geïndiceerd voor Verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de periode van 4 oktober 2005 tot 27 januari 2007 in een omvang van 7 keer 24 uur . De Stichting heeft daarbij het volgende overwogen: “Gewenste zorgaanbieder: Jeugdzorg Drenthe. Vooralsnog is geïndiceerd een verblijf in het RJC. Pleegzorg behoort tot de mogelijkheden, maar Bureau Jeugdzorg indiceert nadrukkelijk niet voor verblijf bij oma zolang met oma geen goede invulling aan de samenwerkingsovereenkomst gegeven kan worden”.

1.5. De Stichting heeft bij besluit van eveneens 6 september 2007 (hierna: besluit 2) naar aanleiding van de aanvraag voor een indicatiebesluit voor de periode vanaf 27 januari 2007 overwogen dat zij niet in staat is een samenhangend beeld te formuleren. De Stichting heeft daarvoor als reden aangevoerd dat appellante geen contact wil met de Stichting. Voorts heeft de Stichting opgemerkt dat bij haar geen hulpvraag van appellante bekend is, anders dan de behoefte aan een pleegzorgvergoeding.

1.6. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft de Stichting de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 6 september 2007 ongegrond verklaard. De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat zij haar onderzoekstaak niet of onvoldoende heeft kunnen uitvoeren, doordat appellante niet of slechts gedeeltelijk contact wil met Bureau Jeugdzorg. Om die reden kan naar de mening van de Stichting niet worden gezegd dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Stichting door appellante niet in de gelegenheid is gesteld om te beoordelen of [kleinkind] is aangewezen op jeugdzorg en dat appellante er blijk van heeft gegeven aan een onderzoek geen medewerking te willen verlenen. Onder deze omstandigheden heeft de Stichting kunnen oordelen dat er geen sprake was van een hulpvraag, gericht op geïndiceerde jeugdzorg. De hulpvraag van appellante was uitsluitend gericht op het verkrijging van een financiële vergoeding in verband met het verzorgen van [kleinkind] als pleegkind.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Naar de mening van appellante heeft de Stichting zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante geen contact wil met de Stichting. Appellante wijst enkel de door de Stichting aan het contact gestelde voorwaarde af dat [kleinkind] moet meewerken aan herstel van het contact met zijn vader. Van [kleinkind] kan evenwel niet worden gevergd dat hij aan relatieherstel met zijn vader meewerkt, omdat hij getraumatiseerd is geraakt doordat hij getuige is geweest van de moord op zijn moeder door zijn vader. Appellante wijst in dit verband op het onderzoeksrapport van drs. J.H. van der Meulen, psycholoog bij de Forensisch Psychiatrische Dienst Groningen, van 15 augustus 2005. De stroefheid in het contact met de Stichting is ontstaan doordat de medewerkers van de Stichting steeds opnieuw aandrongen op relatieherstel. Voorts heeft de Stichting het belang van appellante bij het ontvangen van een pleegzorgvergoeding ten onrechte niet betrokken bij de af te wegen belangen. Het niet verstrekken van een pleegzorgvergoeding is voorts in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu appellante eerder wel daarvoor in aanmerking kwam. Tevens is sprake van een ongelijke behandeling van appellante met andere pleegouders, die wel voor een vergoeding in aanmerking komen.

3.2. De Stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Stichting stelt zich op het standpunt dat appellante [kleinkind] volledig afschermt ten opzichte van de medewerkers van de Stichting. Anders dan appellante stelt hebben deze medewerkers niet als voorwaarde voor contact met [kleinkind] gesteld dat hij aan relatieherstel met zijn vader zou moeten meewerken. De Stichting verwijst ter toelichting op de rapportage van mevrouw J. Luttje van 10 oktober 2006. De Stichting heeft moeten vaststellen dat appellante niet meewerkt aan de afspraken, die zijn opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. Een formalisering van een pleeggezinplaatsing kan alleen aan de orde zijn, als appellante - zoals ook is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst - meewerkt aan het tot stand komen van een samenwerkingsrelatie met de Stichting.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wettelijk kader bevoegdheid

4.1.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de WJZ.

4.1.2. Artikel 1, aanhef en onder f, van de WJZ bepaalt dat onder stichting, als bedoeld in de WJZ, wordt verstaan een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt.

4.1.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

4.1.4. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ is bepaald dat tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, of op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

4.1.5. Ingevolge artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, voor zover hier van belang, is als vorm van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de WJZ onder meer aangewezen behandeling als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem, doch slechts voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige.

4.1.6. Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg bepaalt dat de aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek omvat.

4.1.7. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg omvat verblijf het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.

4.1.8. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WJZ geeft de stichting, indien zij een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, daarbij in ieder geval:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.

4.2. Periode 4 oktober 2005 tot 27 januari 2007

4.2.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de Stichting terecht en op goede gronden besluit 1, dat ziet op de periode van 4 oktober 2005 tot 27 januari 2007, heeft gehandhaafd op de in het besluit van 31 januari 2008 verwoorde grond dat de benodigde zorg niet kon worden vastgesteld omdat appellante geen medewerking heeft verleend aan het door de Stichting in te stellen indicatieonderzoek.

4.2.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 31 januari 2008 berust op de grond dat appellante geen medewerking heeft verleend aan een door de Stichting in te stellen onderzoek naar de vraag wat de problemen zijn van [kleinkind] en welke zorg in verband daarmee noodzakelijk is. De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante aan dat onderzoek niet heeft willen meewerken.

4.2.3. De Raad ziet in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen redenen om aan te nemen dat appellante geen medewerking behoefde te verlenen aan het door de Stichting te verrichten onderzoek. Het ligt immers op de weg van de aanvrager van een indicatiebesluit om de Stichting in de gelegenheid te stellen onderzoek in te stellen naar de in het kader van dat besluit relevante feiten en omstandigheden. In de gedingstukken ziet de Raad geen bevestiging voor de stelling van appellante dat de Stichting het onderzoek naar de zorgbehoefte van [kleinkind] zou hebben verbonden aan de voorwaarde van meewerken aan herstel van het contact tussen [kleinkind] en zijn vader.

4.3. Periode na 27 januari 2007

4.3.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de Stichting terecht en op goede gronden bij besluit 2 heeft geoordeeld dat ten behoeve van [kleinkind] geen hulpvraag voor jeugdzorg kon worden vastgesteld. De Raad beantwoordt ook deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.3.2. De Raad stelt vast dat de Stichting ook de handhaving van besluit 2 heeft gebaseerd op de overweging dat appellante geen medewerking heeft verleend aan een door de Stichting in te stellen onderzoek naar de vraag wat de problemen zijn van [kleinkind] en de in verband daarmee benodigde zorg.

4.3.3. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 4.2.3 oordeelt de Raad dat de Stichting in het niet meewerken aan het benodigde onderzoek terecht aanleiding heeft gezien voor de conclusie dat geen hulpvraag kon worden vastgesteld.

4.4. Uit het overwogene in 4.2.3 en 4.3.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

BvW