Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
09-623 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Oplegging maatregel, inhoudende een verlaging van de bijstand van appellante met 10% van het benadelingsbedrag. Schending inlichtingen verplichting. Gezamenlijke huishouding. Ten aanzien van de intrekking en terugvordering stelt de Raad vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling van de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 15 augustus 2006 tot en met 23 november 2006. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van zowel appellante als [D.] in samenhang met de verklaringen van de tijdens het buurtonderzoek verhoorde getuigen, voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat appellante en [D.] in de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/623 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 december 2008, 07/1549 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 09/619 WWB, plaatsgevonden op 20 april 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van Doremaele, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 16 november 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van een bevolkingscontroleur dat appellante in haar woning op het adres [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het adres) zou samenwonen met de heer [D.], heeft de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante, zijn observaties verricht in de omgeving van de woning van appellante, is een buurtonderzoek gedaan in de omgeving van de woning van appellante en de omgeving van de woning van [D.] op het adres [adres 2] te [plaatsnaam], waarbij verschillende getuigen zijn verhoord, en zijn appellante en [D.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 23 november 2006.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 november 2006 de bijstand van appellante met ingang van 15 augustus 2006 in te trekken en de over de periode van 15 augustus 2006 tot en met 31 augustus 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 673,90 bruto van appellante en [D.] terug te vorderen, welke beiden voor de betaling daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld. Het besluit van 23 november 2006 bevat tevens een beslissing tot het opleggen van een maatregel, inhoudende een verlaging van de bijstand van appellante met 10% van het benadelingsbedrag.

1.4. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 november 2006, voor zover daarbij de bijstand van appellante is ingetrokken en de kosten van bijstand zijn teruggevorderd, ongegrond verklaard en het bezwaar van appellante tegen de in het besluit van 23 november 2006 tevens vervatte beslissing tot het opleggen van een maatregel niet ontvankelijk verklaard op de grond dat, nu de verlaging als gevolg van de intrekking van de bijstand niet geëffectueerd kan worden, er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De grieven van appellante hebben betrekking op zowel de aan haar opgelegde maatregel als op de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich eerst gesteld voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de aan appellante opgelegde maatregel. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009, LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2. De vertegenwoordiger van het College heeft ter zitting naar voren gebracht dat aan appellante met ingang van 28 november 2006 weer bijstand is toegekend en dat daarbij geen maatregel is opgelegd. De Raad stelt op grond hiervan vast dat de in het besluit van 23 november 2006 vervatte beslissing tot het opleggen van een maatregel niet is geëffectueerd en niet meer geëffectueerd kan worden. Bij die stand van zaken kan appellante met het onderhavige beroep geen resultaat bereiken dat feitelijk voor haar van betekenis is. Nu ook overigens niet van een rechtens relevant belang is gebleken dient het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de in het besluit van 23 november 2006 vervatte beslissing tot het opleggen van een maatregel niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

4.3. Ten aanzien van de intrekking en terugvordering overweegt de Raad als volgt.

4.4. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling van de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 15 augustus 2006 tot en met 23 november 2006.

4.5. Tussen partijen is in geschil of appellante in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met [D.].

4.6. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.7. Vast staat dat uit de relatie van appellante en [D.] in 1997 een kind is geboren. Gelet daarop is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend of appellante en [D.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.8. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van zowel appellante als [D.] in samenhang met de verklaringen van de tijdens het buurtonderzoek verhoorde getuigen, voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat appellante en [D.] in de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank hieromtrent en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.9. Ten aanzien van de grieven van appellante met betrekking tot het op 13 september 2006 afgelegde en volgens haar onrechtmatige huisbezoek op haar adres, overweegt de Raad het volgende.

4.10. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksresultaten voortvloeiende uit de op 20 september 2006 door zowel appellante als [D.] afgelegde verklaringen en de verklaringen van de verhoorde getuigen, voortkomen uit het door het College ingestelde nader onderzoek en geen relatie hebben met de bevindingen van het op 13 september 2006 afgelegde huisbezoek. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten. Gelet hierop en op wat onder 4.8 is overwogen en vanwege het feit dat appellante niet heeft verzocht om vergoeding van geleden schade als gevolg van een onrechtmatig huisbezoek, behoeven de grieven van appellante inhoudende dat sprake was van een onrechtmatig huisbezoek geen behandeling.

4.11. Gelet op wat onder 4.8 is overwogen moet worden aangenomen dat gedurende de hier te beoordelen periode sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellante en [D.], zodat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt. Door van de gezamenlijke huishouding geen mededeling te hebben gedaan heeft appellante de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.12. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken met ingang van 15 augustus 2006. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 2 van de door het College gehanteerde Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Wet werk en bijstand of bijzondere omstandigheden die het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van die beleidsregels af te wijken.

4.13. Met hetgeen onder 4.12 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode van 15 augustus 2006 tot en met 31 augustus 2006 in geding gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen verdere bespreking behoeft.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op het opleggen van de maatregel niet ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AV