Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
09-3832 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het Uwv meegedeeld dat appellante met ingang van 11 september 2006 geen WAO-uitkering kan krijgen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, voortkomend uit dezelfde oorzaak. De bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsarts en van de betrokken bezwaarverzekeringsarts kunnen het door het Uwv bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt genoegzaam dragen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht, noch aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv, als neergelegd in het bestreden besluit, onzorgvuldig is voorbereid of als onjuist moet worden aangemerkt. Met de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Slebus van 21 oktober 2008 en 20 augustus 2009 acht de Raad de door appellante aangevoerde stellingen genoegzaam weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3832 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 juni 2009, 08/2126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellante is - met bericht vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 11 januari 2006 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 12 maart 2006 beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per die datum minder dan 15% bedroeg. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard.

1.2. Op 26 november 2007 en op 3 maart 2008 is appellante door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht omdat appellante had verzocht om heropening van de WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 augustus 2006. Op basis van het eigen onderzoek en op verzoek verkregen informatie van de huisarts van appellante heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat er met ingang van 13 augustus 2006 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak. Voor zover het de klachten betreft, die waren ontstaan door de aanval van haar ex-partner op 13 augustus 2006, gaat het om klachten uit een andere oorzaak en wat de psychische en lichamelijke klachten betreft in verband waarmee zij voorafgaande aan 12 maart 2006 WAO-uitkering ontving, is deze arts van mening dat die klachten op 13 augustus 2006 niet zijn toegenomen. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het Uwv meegedeeld dat appellante met ingang van 11 september 2006 geen WAO-uitkering kan krijgen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, voortkomend uit dezelfde oorzaak.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 7 juli 2008 bezwaar gemaakt en gesteld dat het Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat er geen sprake is van een toename van haar psychische klachten en fysieke (migraine en gynaecologische) klachten. Bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus heeft in het kader van het bezwaar op 21 oktober 2008 gerapporteerd op grond van de dossiergegevens en het verslag van de hoorzitting. Hij heeft, uitgaande van de gezondheidstoestand van appellante toen zij in maart 2006 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden - er was toen sprake van migraine, gynaecologische klachten en een kwetsbare persoonlijkheid -, beoordeeld of appellante kan worden gevolgd wat betreft de door haar gestelde toename van de psychische en fysieke beperkingen en hij heeft die vraag ontkennend beantwoord. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard omdat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat er per 11 september 2007 geen sprake is van sinds 12 maart 2006 toegenomen medische beperkingen voortkomend uit dezelfde oorzaak als waarvoor appellante eerder een WAO-uitkering heeft ontvangen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen, waarbij voor eiseres dient te worden gelezen appellante en voor verweerder het Uwv:

“Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gezondheidstoestand van eiseres niet onjuist heeft ingeschat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. Hetgeen door eiseres is aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van alle beschikbare informatie op goede gronden geconcludeerd dat er niet gesproken kan worden van objectief medisch vast te stellen toegenomen beperkingen als gevolg van de psychische klachten ten opzichte van 12 maart 2006. Daarbij is van belang dat eiseres haar toegenomen klachten niet heeft onderbouwd met medische stukken.”

De gestelde toename van de gynaecologische klachten komt, zo heeft de rechtbank voorts nog overwogen, niet voort uit dezelfde oorzaak als waarvoor appellante eerder een

WAO-uitkering heeft ontvangen, omdat het daarbij om andersoortige klachten dan voorheen gaat.

4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daarbij als volgt.

4.1. De Raad kan zich stellen achter het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. De bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsarts en van de betrokken bezwaarverzekeringsarts kunnen het door het Uwv bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt genoegzaam dragen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht, noch aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv, als neergelegd in het bestreden besluit, onzorgvuldig is voorbereid of als onjuist moet worden aangemerkt. Met de rapporten van bezwaarverzekeringsarts Slebus van 21 oktober 2008 en 20 augustus 2009 acht de Raad de door appellante aangevoerde stellingen genoegzaam weerlegd.

4.2. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

TM