Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
08-6995 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De Raad stelt voorop dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode met elkaar waren gehuwd. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2007, voor zover het de herziening en de intrekking betreft, ten onrechte in stand heeft gelaten op de grond dat appellante en [F.] met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven op de grond dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefde van [F.].Voor zover het betoog van de appellante erop neerkomt dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, waaruit volgt dat dit slechts het geval is indien bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen sprake van dat de verklaring van appellante op een dergelijke wijze is verkregen. Het College zou naar het oordeel van de Raad in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik hebben kunnen maken. Door de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 te herzien naar de helft van de norm voor een gehuwden en de bijstand met ingang van 1 juni 2007 in te trekken heeft het College appellante niet tekort gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6995 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2008, 07/3100 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 08/7264 WWB en 08/7267 WWB, plaatsgevonden op 23 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het College heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 februari 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft aan het College opgegeven te wonen op het adres [adres 1] te [woonplaats] (hierna: [adres 1]). In de periode vóór 1 februari 2003 ontving zij bijstand naar de norm voor gehuwden. Zij heeft in die periode opgegeven te wonen op het adres [adres 2] te [woonplaats] (hierna [adres 2]) tezamen met haar echtgenoot [F.] en hun twee kinderen. Op 15 januari 2003 zijn appellante en [F.] gescheiden van tafel en bed. Daarbij is bepaald dat het hoofdverblijf van de zoon bij [F.] zal zijn en het hoofdverblijf van de dochter bij appellante. Sinds 11 februari 2003 staat appellante samen met de dochter ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres 1]. [F.] is samen met de zoon ingeschreven gebleven op het adres [adres 2].

1.2. Op verzoek van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Leeuwarden heeft de Sociale Recherche Fryslân een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties waaronder nutsbedrijven om inlichtingen verzocht en zijn appellante en [F.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op 15 mei 2007 opgemaakt rapport. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 6 juni 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 juni 2007, de bijstand te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 december 2004 en voorts de kosten van de over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 verleende bijstand tot een bedrag van € 37.554,99 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante zonder daarvan aan het College melding te maken vanaf

1 december 2004 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [F.].

1.3. Bij besluit van 2 november 2007 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 6 juni 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 juni 2007, gedeeltelijk gegrond verklaard. Het College heeft daarbij de intrekking omgezet in een herziening naar de helft van de norm voor gehuwden tot 1 juni 2007 en aansluitend aan appellante en [F.] samen bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Het bedrag van de terugvordering is verlaagd tot € 16.877,81. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante en [F.] niet duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd op de grond dat het College ten onrechte heeft beoordeeld of appellante en [F.] niet langer duurzaam gescheiden leefden. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten op de grond dat appellante en [F.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

3. In hoger beroep heeft appellante deze uitspraak voor zover het de instandlating van de rechtsgevolgen betreft, bestreden. Zij heeft aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [F.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad begrijpt het besluit van 2 november 2007 aldus dat het College daarbij de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2004 heeft gewijzigd in een herziening van de bijstand naar de helft van de norm voor gehuwden over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 en een intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2007. Voorts heeft het College bij het besluit van 2 november 2007 de terugvordering in die zin gewijzigd dat de kosten van de over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van

€ 16.877,81 van haar worden teruggevorderd. Daarnaast heeft het College bij dat besluit aan appellante en [F.] met ingang van 1 juni 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend.

4.2. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2007, voor zover dat betrekking heeft op de herziening en de intrekking van de bijstand, terecht in stand heeft gelaten. Daarbij dient de Raad volgens vaste rechtspraak ten aanzien van de intrekking van de bijstand de periode te beoordelen van 1 juni 2007 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 6 juni 2007 (de datum van het primaire besluit tot intrekking). Ten aanzien van de herziening ligt de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 ter beoordeling voor.

4.3. De Raad stelt voorop dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode met elkaar waren gehuwd. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2007, voor zover het de herziening en de intrekking betreft, ten onrechte in stand heeft gelaten op de grond dat appellante en [F.] met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven op de grond dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefde van [F.].

4.4. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd. Volgens vaste rechtspraak - zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 februari 2009, LJN BH4372 - is sprake van duurzaam gescheiden leven in de zin van de bedoelde bepaling indien het betreft een door betrokkenen of door een van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze door (een van) hen als bestendig is bedoeld. Daarbij zijn naar vaste rechtspraak van de Raad – zie bijvoorbeeld zojuist genoemde uitspraak – de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5. Uit het onder 1.2 genoemde onderzoek is het volgende gebleken. In de periode in geschil was het verbruik van water op het adres [adres 1] slechts circa 7 m³ per jaar. Ook het verbruik van elektriciteit en gas lag in die periode ver beneden het gemiddelde voor gezin van twee personen. Bij observaties werd appellante nooit gezien bij de woning aan de [adres 1] en brandde er ’s avonds nooit licht. Wel werd waargenomen dat de ramen aan voor- en achterzijde tegelijk gedurende meerdere weken open of dicht waren. Op 10 mei 2007 is appellante om 9.15 uur niet aangetroffen bij haar woning. Een buurvrouw verklaarde dat de bewoonster nooit aanwezig was. Even nadien is appellante aangetroffen in de woning van [F.]. Appellante heeft voorts tijdens haar verhoor verklaard dat zij en [F.] de afgelopen tijd hebben samengewoond op het adres [adres 2], dat zij daar dag en nacht verbleef, dat dit is begonnen toen [F.] ziek was, dat zij samen voor de kinderen zorgen en dat appellante [F.] verzorgt, dat zij huishoudelijke taken verricht bij [F.] en dat zij meestal een sleutel van de [adres 2] heeft. [F.] heeft verklaard dat appellante hem op het adres [adres 2] verzorgd heeft na zijn operatie in november 2004, dat hij haar zorg nodig had en dat dat betekende dat zij ook overnachtte bij hem, dat hij tot op de dag van vandaag haar zorg nodig heeft. Die zorg houdt in dat appellante de kinderen uit school haalt, dat het voorkomt dat zij boodschappen doet en dat zij schoonmaakt in de woning. Omdat de kinderen niet mogen weten dat zij uit elkaar zijn, maken zij als gezin uitstapjes met de kinderen.

4.6. Appellante heeft onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: Europees Hof) van 27 november 2008, 36391/02 (Salduz), LJN BH0402 betoogd dat het College de op 10 mei 2007 door appellante en door [F.] afgelegde verklaringen niet mag gebruiken als bewijs voor zijn standpunt omdat zij op dat moment niet in de gelegenheid zijn gesteld om zich bij te laten staan door een raadsman. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat, als uitvloeisel van dit arrest van het Europees Hof, de verklaring die zij en [F.] ten overstaan van de sociaal rechercheurs hebben afgelegd niet als ondersteuning voor de besluitvorming van het College gebruikt zou kunnen worden omdat niet vanaf de aanvang van het onderzoek een raadsman aanwezig is geweest. Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit de genoemde arresten, wijst de Raad erop dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking, herziening en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich niet tot appellante uitstrekt. Voor zover het betoog van de appellante erop neerkomt dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, waaruit volgt dat dit slechts het geval is indien bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen sprake van dat de verklaring van appellante op een dergelijke wijze is verkregen.

4.7. Appellante heeft nog aangevoerd dat zij niet aan de op 10 mei 2007 afgelegde verklaring mag worden gehouden omdat zij tijdens het verhoor ontoelaatbaar onder druk is gezet. Haar is meegedeeld dat zij drie dagen kon worden vastgezet. De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat de processen-verbaal van het verhoor van appellante door de verbalisanten op ambtseed/ambtsbelofte zijn opgemaakt en dat deze door appellante per bladzijde zijn getekend. Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. Anders dan appellante stelt, is de Raad met name niet gebleken dat bij het verhoor van appellante sprake is geweest van ontoelaatbare druk. Dat aan appellante zou zijn voorgehouden dat drie dagen vrijheidsbeneming tot de mogelijkheden behoort, is, wat er ook zij van de vraag of die mededeling is gedaan nu daarvan niet blijkt uit het proces-verbaal, onvoldoende, reeds omdat die mededeling op zichzelf beschouwd niet onjuist is. Dat appellante gedurende het verhoor haar verklaring heeft gewijzigd, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is geweest van ontoelaatbare druk. Ook anderszins is niet gebleken dat appellante niet in staat was over haar dagelijkse woon- en leefsituatie gedurende de afgelopen jaren te verklaren. Voorts zijn in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de verklaring van appellante niet juist kan zijn.

4.8. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het College met de onder 4.5 vermelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode van 1 december 2004 tot en met 6 juni 2007 niet duurzaam gescheiden leefde van [F.]. Gelet hierop kunnen de grieven inhoudende dat de resultaten van de steekproefsgewijze waarnemingen te vaag zijn geformuleerd en dat een huisbezoek op het adres [adres 1] had moeten plaatsvinden, buiten bespreking blijven.

4.9. Nu appellante in de zojuist genoemde periode niet kan worden aangemerkt als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, kan zij niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had zij derhalve geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aangezien appellante het College geen mededeling heeft gedaan van de omstandigheid dat zij niet (langer) duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2004 in te trekken. Het College zou naar het oordeel van de Raad in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik hebben kunnen maken. Door de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 te herzien naar de helft van de norm voor een gehuwden en de bijstand met ingang van

1 juni 2007 in te trekken heeft het College appellante niet tekort gedaan.

4.10. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2007, voor zover dat betrekking heeft op de herziening en de intrekking van de bijstand, terecht in stand heeft gelaten, zij het op onjuiste gronden. De Raad stelt voorts vast dat appellante geen zelfstandige grieven heeft ingebracht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2007, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 december 2004 tot 1 juni 2007 en de toekenning van bijstand aan appellante en [F.] naar de norm voor gehuwden vanaf 1 juni 2007. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak, voor deze is aangevochten, met verbetering van gronden bevestigen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I Korte en E.E.V. Lenos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

AV