Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
08-7229 WMO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2008:BG4909, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage voor het gebruik van een scootmobiel. Overgangsrecht. Compensatieplicht. Omvang geding. Vernietiging bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7229 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 november 2008, 08/817 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: de Dienst)

Datum uitspraak: 12 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.G.H. Rosenkamp, werkzaam bij MEE Friesland, hoger beroep ingesteld.

De Dienst heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellante is met bericht niet verschenen. De Dienst heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.S. de Vries, werkzaam bij de Dienst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is onder vigeur van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) bij besluit van 22 juni 2004 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een scootmobiel. Deze voorziening is hem in bruikleen verstrekt.

1.2. De Dienst voert het beleid dat voor onder de Wvg verstrekte voorzieningen met ingang van 1 januari 2008 een eigen bijdrage wordt geheven.

1.3. De Dienst heeft appellant bij brief van 27 september 2007 kennis gegeven van zijn besluit om voor het gebruik van de scootmobiel met ingang van 1 januari 2008 een eigen bijdrage te heffen. De berekening van de hoogte van de eigen bijdrage en het innen van deze bijdrage is uitbesteed aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het College stelt zich op het standpunt dat de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) ruimte biedt voor het heffen van een eigen bijdrage.

1.4. De Dienst heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 september 2007 bij besluit van 14 maart 2008 ongrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 14 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat alleen een eigen bijdrage geheven kan worden nadat een nieuw indicatieonderzoek is uitgevoerd verworpen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de beperkingen van appellant na 1 januari 2008 zodanig zijn gewijzigd dat hij niet meer in aanmerking komt voor een scootmobiel. Onder die omstandigheden is een heronderzoek onnodig kostbaar voor het bestuursorgaan en onnodig belastend voor de belanghebbende. De omstandigheid dat appellant anders dan voorheen voor het gebruik van de scootmobiel een eigen bijdrage moet gaan betalen en dat hij in verband daarmee voor de toekomst mogelijk een andere keuze zal maken, doet volgens de rechtbank niet af aan de juridische houdbaarheid van de bestreden beslissing. De rechtbank ziet niet in dat het bestuursorgaan uit een oogpunt van zorgvuldigheid de gevolgen van het heffen van een eigen bijdrage en alle mogelijke alternatieven met betrokkenen zou moeten bespreken.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het niet redelijk is op grond van een nieuwe wet een eigen bijdrage te heffen voor een voorziening die op grond van een oude wet is verstrekt. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de Dienst in het kader van de Wmo wel in alle gevallen heronderzoek had moeten doen naar de aanspraken op grond van de Wmo.

4.2. De Dienst stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat tussen partijen niet in geschil is dat de beperkingen niet zijn gewijzigd en dat de in bruikleen verstrekte scootmobiel ook daadwerkelijk wordt gebruikt. Volgens de Dienst berust het besluit om een eigen bijdrage te heffen op een administratief heronderzoek dat de verstrekte voorziening gecontinueerd kon worden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

5.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

“ (…)

g. maatschappelijke ondersteuning: (…)

5°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer; (…).”.

5.1.2. Artikel 3, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de gemeenteraad een of meer plannen vaststelt, die richting geven aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning.

Ingevolge het derde lid van deze bepaling bevat het plan de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

5.1.3. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem onder meer in staat stellen om een huishouden te voeren.

5.1.4. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Blijkens de parlementaire geschiedenis is in de toevoeging van deze laatste zinsnede het draagkrachtprincipe verankerd (Tweede Kamer 2005 - 2006, 30 131, nr. 98, p 58-59).

5.1.5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

5.1.6. Artikel 6 van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

5.1.7. Artikel 15 van de Wmo bepaalt:

“1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.”.

5.1.8. artikel 40 van de Wmo luidt:

“1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

a. zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten verleende uitkeringen, aangevraagde en aan te vragen uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet;

b. artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten van toepassing blijft op roerende zaken, voor de aanschaf waarvan met toepassing van of krachtens die wet een financiële vergoeding is verleend, dan wel die met toepassing van of krachtens die wet in eigendom of bruikleen zijn verleend;

c. andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten als bedoeld onder b, die gelden op het tijdstip

van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot een beschikking waarbij op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een voorziening is verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet;

d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet.”.

5.2.1. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in het werkgebied van de Dienst uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân 2007 (hierna: Verordening).

5.2.2. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j van de Verordening luidt:

“In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder: (…) j. Eigen bijdrage (…): een door het dagelijks bestuur vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een financiele tegemoetkoming, of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; (…).”.

5.2.3. Artikel 7 van de Verordening luidt:

“Eigen bijdragen en eigen aandeel. Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiele tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het dagelijks bestuur legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân de omvang van deze eigen inbreng vast.”.

Overgangsrecht

5.3. De Wmo is op 1 januari 2007 in werking getreden. Artikel 40 van de Wmo brengt mee dat andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten als bedoeld in artikel 4, onder b, van de Wmo die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot een beschikking waarbij op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een voorziening is verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet. De Raad is van oordeel dat dit betekent dat de aanspraak van appellant op verstrekking van de op grond van de Wvg toegekende scootmobiel per 1 januari 2008 is vervallen.

Compensatieplicht

5.4.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN BG6612), onder r.o. 4.2.2, heeft geoordeeld verplicht artikel 4 van de Wmo het College aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van demo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

5.4.2. Voorts heeft de Raad in voormelde uitspraak van 10 december 2008, onder r.o. 4.2.4, overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat het College, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het College is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren. Daarbij is het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb aan de aanvrager om het College de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Omvang geding

5.5. De Raad stelt vast dat de Dienst zich blijkens de beslissing op bezwaar van 14 maart 2008 op het standpunt stelt dat appellant per 1 januari 2008 in aanmerking komt voor de verstrekking van een scootmobiel in bruikleen. De Raad begrijpt het standpunt van het de Dienst voorts aldus dat de Dienst geacht moet worden appellant per 1 januari 2008 een aanspraak op verstrekking van een scootmobiel in natura te hebben toegekend. De Raad wijst er op dat uit de gedingstukken blijkt dat administratief beoordeeld is of appellant voor continuering van de verstrekking van een scootmobiel in aanmerking komt en dat die beoordeling tot de bevinding heeft geleid dat dit het geval is. Dit betekent dat de Raad het standpunt van appellant dat de per 1 januari 2008 bij hem in gebruik zijnde scootmobiel berust op besluitvorming ingevolge de Wvg verwerpt.

5.6. De Raad is voorts van oordeel dat het besluit van de Dienst om aan appellant per

1 januari 2008 een scootmobiel in bruikleen te verstrekken - onder oplegging van een eigen bijdrage - niet berust op een zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden. Het had op de weg van de Dienst gelegen om appellant omtrent de voorhanden alternatieven te informeren, zodat appellant zelf zijn keuze had kunnen bepalen. Aan appellant is bijvoorbeeld niet tijdig tevoren de vraag voorgelegd of hij in plaats van een verstrekking in natura in aanmerking zou willen komen voor een persoonsgebonden budget en of hij prijs stelt op (voortzetting van) een vervoersvoorziening, waarvoor anders dan voorheen een eigen bijdrage verschuldigd zal zijn.

5.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 14 maart 2008 onzorgvuldig is voorbereid en mitsdien ondeugdelijk gemotiveerd. Dat besluit kan wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand blijven. Dit betekent dat deze besluiten dienen te worden vernietigd. Het betekent verder dat de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het besluit van 14 maart 2008 ongegrond is verklaard dient te worden vernietigd. De Dienst zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De Raad ziet aanleiding om de Dienst te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 maart 2008;

Bepaalt dat de Dienst binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Dienst in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat de Dienst aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en P. Ingelse als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P. Boer.

BvW