Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
09-3024 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhaving besluit tot nominale bijdrage voor de ZVW voor de gezinsleden van appellant over het jaar 2006 ten bedrage van € 2.788,32. De gezinsleden van appellant hebben ingevolge artikel 19 van de Verordening met ingang van 1 januari 2006 recht op zorg of vergoeding van de kosten daarvan in Duitsland. Hierover bestond bij appellant geen onduidelijkheid. Ingevolge artikel 69, eerste en tweede lid, van de Zvw is appellant daarover een nominale bijdrage verschuldigd. Nu de hoogte van de verschuldigde bijdrage door appellant niet is aangevochten, komt de Raad tot de conclusie dat de in het besluit van 23 juni 2006 bepaalde (en bij besluit van 15 juni 2007 gehandhaafde) nominale bijdrage voor de gezinsleden van appellant rechtmatig is vastgesteld. Appellant wenst niettemin een vermindering van de nominale premie, omdat hij door beweerdelijk onjuiste informatie van zijn - toen nog: particuliere - verzekeraar CZ, van AOK en van Cvz schade heeft geleden. Appellant stelt dat CZ, AOK en Cvz hem onjuist hebben voorgelicht over het feit dat zijn gezinsleden al vanaf 1 januari 2006 op grond van de Verordening voor zorg in Nederland verzekerd waren. Voor zover in het besluit van 15 juni 2007 besloten zou liggen dat schadevergoeding wordt geweigerd, kan de Raad zich daarover niet uitlaten, omdat de Raad daartoe niet bevoegd is. De vordering tot schadevergoeding houdt geen verband met een onrechtmatig besluit, maar met (beweerdelijk) onrechtmatig feitelijk handelen van Cvz en derden. Terzake van een dergelijke vordering is de burgerlijke rechter de bevoegde rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3024 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] , wonende te [woonplaats] (Duitsland), (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2009, 07/2939 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College voor Zorgverzekeringen, gevestigd te Diemen, (hierna: Cvz)

Datum uitspraak: 5 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010. Appellant is verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.R. Maas, mr. K. Siemeling en M. van der Linde.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woont met zijn vrouw en kinderen (geboren in 1987, 1986 en 1983) in Duitsland en werkt bij het Ministerie van Defensie in Nederland. Zijn vrouw en kinderen zijn niet werkzaam en ontvangen geen uitkering. Vóór 1 januari 2006 was appellant met zijn gezin particulier verzekerd tegen ziektekosten bij CZ.

1.2. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft Cvz aan appellant een factuur gestuurd inzake de nominale bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) voor zijn gezinsleden over het jaar 2006 ten bedrage van € 2.788,32.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 23 juni 2006 bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd dat hij op basis van informatie die hij heeft ingewonnen bij CZ, de landelijke informatielijn en het AOK in Duitsland, er vanuit is gegaan dat zijn vrouw en kinderen met ingang van 1 januari 2006 niet (meer) in Nederland verzekerd konden worden tegen ziektekosten. Om die reden heeft hij zijn vrouw en kinderen verzekerd tegen ziektekosten bij de Allgenmeine Ortskrankenkasse (AOK) in Duitsland. Achteraf is gebleken dat zijn gezinsleden wel gebruik konden maken van Nederlandse zorg. Appellant heeft een verzekeringsbewijs van de Duitse UKV (Krankenversicherung) van 29 maart 2006 ingezonden en facturen van diezelfde datum en van 17 januari 2006 waarin is vermeld dat ten behoeve van zijn vrouw en kinderen in 2006 per maand ongeveer € 168,-- aan premie wordt betaald. Het besluit van 23 juni 2006 betekent dat hij (met terugwerkende kracht) dubbele premie over 2006 moet betalen, te weten premie voor zijn particuliere verzekering en een bijdrage op grond van de ZVW.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 15 juni 2007 heeft Cvz het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft Cvz naar voren gebracht dat de gezinsleden - die als meeverzekerden worden aangemerkt en zijn vermeld op het E 106 formulier dat is afgegeven door de AOK in Duitsland - op grond van artikel 19 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) recht hebben op zorg volgens het wettelijk verzekeringspakket (basisverzekering) van Duitsland en dat Nederland deze zorg vergoedt aan Duitsland. Daarnaast hebben de gezinsleden van appellant recht op zorg volgens de Nederlandse wetgeving. Op grond van artikel 69 Zvw is appellant een bijdrage verschuldigd. Voorts heeft Cvz verklaard dat de invoering van de Zvw niet vlekkeloos is verlopen maar dat dit onvoldoende is om aan de bezwaren van appellant tegemoet te komen. Op basis van de door Cvz via de website en in maart en juni 2006 verstrekte informatie had appellant redelijkerwijs kunnen weten dat zijn gezinsleden per 1 januari 2006 meeverzekerd waren, dat zij aanspraak konden maken op Nederlandse zorg en dat hij een factuur tegemoet kon zien. Ten slotte heeft Cvz naar voren gebracht dat de door appellant in Duitsland afgesloten particuliere verzekering een aanvulling vormt op de basisvoorzieningen, maar daarvoor niet in de plaats komt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de gezinsleden van appellant op grond van artikel 19 van de Verordening met ingang van 1 januari 2006 recht hebben op zorg in Duitsland ten laste van Nederland, waarvoor Cvz op grond van artikel 69 Zvw een nominale bijdrage in rekening dient te brengen bij appellant. Dat appellant uit door hem bij derden ingewonnen informatie - inhoudende dat zijn gezinsleden zich per 1 januari 2006 niet meer in Nederland konden verzekeren - blijkbaar de onjuiste conclusie heeft getrokken dat zijn gezinsleden ook geen recht op zorg in Nederland hadden, moet naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van appellant komen. Op grond van artikel 20 van de Verordening hebben gezinsleden recht op prestaties indien er een overeenkomst tussen Nederland en Duitsland bestaat. Ter zitting van de rechtbank is bevestigd dat een dergelijke overeenkomst bestaat. De rechtbank achtte van belang dat op het E 106 formulier - dat aan appellant tussen 20 oktober 2005 en 4 januari 2006 moet zijn uitgereikt - is vermeld dat zijn inwonende gezinsleden per 1 januari 2006 recht hebben op verstrekkingen wegens ziekte en moederschap. Ook daardoor had appellant kunnen weten dat zijn gezinsleden per 1 januari 2006 recht hadden op verstrekkingen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld appellant niet te kunnen volgen in zijn zienswijze dat hij dubbele premie moet betalen over het jaar 2006. De afgesloten verzekering betreft - volgens appellant - een aanvullende verzekering, terwijl de bijdrage ingevolge de Zvw is verschuldigd wegens een aanspraak op verstrekkingen volgens het basispakket.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in verband met foutieve informatie en te laat door Cvz verstrekte informatie, ten onrechte een aanvullende (particuliere) ziektekostenverzekering ten behoeve van zijn gezinsleden in Duitsland heeft afgesloten. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij het afgestempelde E 106 formulier niet heeft ontvangen en dat hij sinds 1 januari 2006 voor hem en zijn gezinsleden een basispakket (via het AOK) en een particuliere aanvullende verzekering heeft afgesloten.

Cvz heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het in het bestreden besluit neergelegde standpunt. Cvz heeft afschriften van de eind 2005 op zijn website geplaatste informatiebrochure over de gevolgen van de inwerkingtreding van de Zvw per 1 januari 2006 voor verdragsgerechtigden overgelegd. In paragraaf 1.2.1.2. hiervan zijn de rechten van gezinsleden van grensarbeiders, die werkzaam zijn in Nederland maar wonen in Duitsland uiteengezet. Daarbij wordt uitgegaan van het bepaalde in artikel 20 van de Verordening en de in november 2005 door Nederland en Duitsland gemaakte afspraken dat meeverzekerde gezinsleden van grensarbeiders met ingang van 1 januari 2006 ook zorg in Nederland kunnen ontvangen. Mogelijk heeft appellant informatie ingewonnen voordat die afspraak werd gemaakt. Voorts wijst Cvz er op dat de (aanvullende) ziektekostenverzekering in Duitsland eerst is afgesloten op 29 maart 2006. Destijds had appellant moeten weten dat zijn gezinsleden per 1 januari 2006 recht hadden op geneeskundige zorg in Nederland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Voorts wijst de Raad op de volgende bepalingen.

4.1.2. Volgens artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich aan bij Cvz.

4.1.3. Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd (…). Deze ministeriële regeling is de Regeling zorgverzekering (hierna: de Regeling).

4.1.4. Artikel 6.3.1 van de Regeling luidt, voor zover hier van belang:

"1. De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.

2. De grondslag van de bijdrage is gelijk aan de som van:

a. (…)

b. (…)

c. vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een bijdrage per maand overeenkomende met eentwaalfde van het bedrag van de geraamde gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: nominale deel).

Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een partner verstaan een partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5. Voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag wordt het in het tweede lid bedoelde nominale deel, als premie voor een zorgverzekering beschouwd.

6. Het bedrag van de in artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet bedoelde boete, wordt gebaseerd op het in het tweede lid bedoelde nominale deel en vermenigvuldigd met het in het eerste lid genoemde verhoudingsgetal.”

4.1.4. Artikel 6.3.4 van de Regeling luidt:

"De voor een gezinslid van een verzekeringsplichtige verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel 6.3.1, wordt door het College zorgverzekeringen geheven en geïnd bij de verzekeringsplichtige."

4.2. De gezinsleden van appellant hebben ingevolge artikel 19 van de Verordening met ingang van 1 januari 2006 recht op zorg of vergoeding van de kosten daarvan in Duitsland. Hierover bestond bij appellant geen onduidelijkheid. Ingevolge artikel 69, eerste en tweede lid, van de Zvw is appellant daarover een nominale bijdrage verschuldigd. Nu de hoogte van de verschuldigde bijdrage door appellant niet is aangevochten, komt de Raad tot de conclusie dat de in het besluit van 23 juni 2006 bepaalde (en bij besluit van 15 juni 2007 gehandhaafde) nominale bijdrage voor de gezinsleden van appellant rechtmatig is vastgesteld.

4.3. Appellant wenst niettemin een vermindering van de nominale premie, omdat hij door beweerdelijk onjuiste informatie van zijn - toen nog: particuliere - verzekeraar CZ, van AOK en van Cvz schade heeft geleden. Appellant stelt dat CZ, AOK en Cvz hem onjuist hebben voorgelicht over het feit dat zijn gezinsleden al vanaf 1 januari 2006 op grond van de Verordening voor zorg in Nederland verzekerd waren. De schade bestaat volgens appellant uit de premie voor de, achteraf overbodige, door hem in Duitsland afgesloten verzekeringen ten behoeve van zijn gezinsleden voor zorg in Nederland. In feite vordert appellant van Cvz schadevergoeding wegens onrechtmatig feitelijk handelen of nalaten van CZ, AOK en Cvz. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2. kan dit niet leiden tot aantasting van de rechtmatigheid van het besluit van 15 juni 2007.

4.4. Voor zover in het besluit van 15 juni 2007 besloten zou liggen dat schadevergoeding wordt geweigerd, kan de Raad zich daarover niet uitlaten, omdat de Raad daartoe niet bevoegd is. De vordering tot schadevergoeding houdt geen verband met een onrechtmatig besluit, maar met (beweerdelijk) onrechtmatig feitelijk handelen van Cvz en derden. Terzake van een dergelijke vordering is de burgerlijke rechter de bevoegde rechter.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 mei 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

BvW

205