Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
09/3810 WAO + 09/3840 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De rechtbank constateerde, zoals het Uwv ook erkent, terecht dat de motivering van de door het Uwv gebruikte reductiefactor tekort schoot. Zij verklaarde het beroep op goede gronden gegrond en vernietigde terecht het bestreden besluit. De Raad beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met de in hoger beroep verbeterde motivering, in stand kunnen blijven. Anders dan betrokkene aanvoert, mag het Uwv in geval van de intrekking van een uitkering volgens vaste rechtspraak, de Raad verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 8 mei 2009, LJN BI3731, functies bijduiden, mits het betrokkene op grond van de voorgehouden functies voldoende duidelijk kon zijn dat hij/zij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen zijn. Een voldoende mate van verwantschap wordt vastgesteld op basis van de aard en inhoud van de aan de bijgeduide en voorgehouden functies verbonden werkzaamheden. Indien een functie uit een voorgehouden sbc-code wordt bijgeduid is in ieder geval sprake van een voldoende mate van verwantschap nu het daarbij gaat om functies die qua werkzaamheden voor minimaal 65% overeenstemmen. Het enkele gegeven dat de bijgeduide functie van zeilmaker in een (veel) eerder stadium als grondslag voor de schatting had kunnen worden opgevoerd, betekent niet dat het bijduiden in strijd met een goede procesorde komt dan wel in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Met de bijgeduide functie, maakte het Uwv voldoende inzichtelijk dat de door hem gehanteerde reductiefactor correct was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3810 WAO en 09/3840 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2009, 08/514 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

partijen.

Datum uitspraak: 11 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene stelde mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep in.

Het Uwv stelde eveneens hoger beroep in en bracht een nadere arbeidskundige rapportage van 22 juli 2009 in de procedure.

Partijen voerden over en weer verweer. Betrokkene bracht nog diverse stukken in het geding.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 7 januari 2010, waar het Uwv zich liet vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer en betrokkene verscheen met bijstand van mr. Van Es. De Raad schorste de behandeling zodat het Uwv kon reageren op de stelling van betrokkene dat zij niet voldoet aan de opleidingseisen voor de haar voorgehouden functies.

Het Uwv zond een rapport met bijlagen in van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 februari 2010. Hierbij is gevoegd een kopie van de uitspraak van de Raad van 19 juni 2009, LJN BI9774.

De vervolgzitting vond plaats op 21 mei 2010. Namens betrokkene verscheen mr. Van Es en voor het Uwv was M.L. Turnhout aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 7 december 2007 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 24 april 2007 tot de beëindiging van de WAO-uitkering van betrokkene per 25 juni 2007.

2. De rechtbank verwierp de beroepsgrond dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat. Zij verklaarde het beroep gegrond, omdat het Uwv een verkeerde reductiefactor hanteerde.

3.1. Betrokkene werkte als parttime kamermeisje en viel op 6 mei 1996 voor haar werk uit. Per 4 mei 1997 kende het Uwv haar in verband met psychische klachten, rugklachten en handklachten een WAO-uitkering toe en hij trok die uitkering met ingang van 4 januari 2006 in. Daarover deed de Raad op 6 mei 2009 uitspraak in de zaak onder nummer 07/4686 (LJN BI4032).

3.2. Met ingang van 16 mei 2006 meldde betrokkene zich opnieuw ziek in verband met enkele operatieve ingrepen. Het Uwv bracht haar vanaf 25 juni 2007 weer in aanmerking voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80-100%

3.3. Aan de beëindiging van de WAO-uitkering met ingang van 25 juni 2007 ligt ten grondslag dat betrokkene ongeschikt is voor haar eigen werk, maar met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is voor werkzaamheden in gangbare arbeid.

4.1. Het Uwv vult de motivering van zijn besluit in hoger beroep aan met de arbeidskundige rapportage van 22 juli 2009. De gebruikte reductiefactor was aanvankelijk ontoereikend onderbouwd. Daarom duidt het Uwv de functie zeilmaker bij. De arbeidsduur van die functie is niet kleiner dan de omvang van de maatvrouw en de functie zeilmaker behoort tot één van de voor de schatting gebruikte sbc-code. Het Uwv verzoekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.2. Betrokkene herhaalt in hoger beroep dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zij verzet zich tegen het “bijduiden” van de functie zeilmaker hangende het hoger beroep, want dit acht zij in strijd met de zorgvuldigheid. Zij betwist de geschiktheid van die functie en meent dat de rechtbank moest ingaan op al haar uitgewerkte stellingen dat de belasting in de overige functies haar belastbaarheid overtreft.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank hierover. Wat betrokkene in hoger beroep aanvoert is een herhaling van de gronden in beroep. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten bracht zij niet naar voren. De door haar in hoger beroep ingebrachte medische en andere gegevens zijn voor de Raad geen reden tot twijfel aan de juistheid van de in de FML beschreven medische beperkingen. In dit verband verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 30 juni 2008.

5.1.1. De rechtbank constateerde, zoals het Uwv ook erkent, terecht dat de motivering van de door het Uwv gebruikte reductiefactor tekort schoot. Zij verklaarde het beroep op goede gronden gegrond en vernietigde terecht het bestreden besluit.

5.1.2. De Raad beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met de in hoger beroep verbeterde motivering, in stand kunnen blijven.

5.2.1. Anders dan betrokkene aanvoert, mag het Uwv in geval van de intrekking van een uitkering volgens vaste rechtspraak, de Raad verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 8 mei 2009, LJN BI3731, functies bijduiden, mits het betrokkene op grond van de voorgehouden functies voldoende duidelijk kon zijn dat hij/zij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen zijn. Een voldoende mate van verwantschap wordt vastgesteld op basis van de aard en inhoud van de aan de bijgeduide en voorgehouden functies verbonden werkzaamheden. Indien een functie uit een voorgehouden sbc-code wordt bijgeduid is in ieder geval sprake van een voldoende mate van verwantschap nu het daarbij gaat om functies die qua werkzaamheden voor minimaal 65% overeenstemmen.

5.2.2. Het enkele gegeven dat de bijgeduide functie van zeilmaker in een (veel) eerder stadium als grondslag voor de schatting had kunnen worden opgevoerd, betekent niet dat het bijduiden in strijd met een goede procesorde komt dan wel in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

5.2.3. Met de bijgeduide functie, maakte het Uwv voldoende inzichtelijk dat de door hem gehanteerde reductiefactor correct was.

5.3.1. Anders dan betrokkene stelt, lichtte de bezwaararbeidsdeskundige de markeringen in de functie zeilmaker wel toe, namelijk in zijn rapport van 22 juli 2009. De geschiktheid van de overige functies lichtte de bezwaararbeidsdeskundige toe in zijn rapport van 6 december 2007. Deze arbeidskundige toelichtingen overtuigen de Raad dat de belasting in de functies de grenzen van de FML niet overtreft.

5.3.2. De rechtbank was niet gehouden op alle afzonderlijke aanmerkingen van betrokkene over de (on-)geschiktheid van de functies in te gaan, omdat zij voor een deel uitgaan van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn neergelegd.

5.4.1. Ook het betoog dat de aan betrokkene als geschikt voorgehouden functies voor haar niet toegankelijk zijn, faalt.

5.4.2. Volgens de arbeidsmogelijkhedenlijst geldt als opleidingseis voor de functies “voltooid basisonderwijs”. Ook in de functiebeschrijving van de stikster is dat als opleidingseis aangegeven. De Raad ziet geen reden om, zoals betrokkene, uit te gaan van hogere opleidingseisen. Daarvoor is in elk geval onvoldoende dat in de functiebeschrijving van de stikster als functieniveau aangeeft “Getuigschrift BO en eventueel meerdere jaren vervolgonderwijs zonder diploma of andere opleidingen op dit niveau”.

5.4.3. Betrokkene doorliep in Turkije vijf leerjaren van het lager onderwijs. In die tijd omvatte het lager onderwijs in Turkije vijf leerjaren. Betrokkene voltooide dus het basisonderwijs en voldoet daarmee aan de gestelde opleidingseis.

6. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, behoudens de opdracht tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. In de plaats daarvan zal de Raad de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

7. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre de rechtbank het Uwv opdroeg een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR