Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
09-5807 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar tegen de brief van 24 september 2008 waarbij het College aan appellant heeft meegedeeld dat een nieuw onderzoek naar mogelijkheden voor arbeidsintegratie zal plaatsvinden, dat op 6 oktober 2008 daartoe een onderzoek zal plaatsvinden en dat het College er vanuit gaat dat appellant daar aan zal meewerken. Het College heeft voorts gemeld dat als appellant niet verschijnt of als appellant niet voldoende meewerkt aan het onderzoek, dat gevolgen kan hebben voor zijn uitkering. Ten slotte is in deze brief verwezen naar de van belang zijnde wettelijke regeling en wel artikel 17 van de WWB. De Raad is van oordeel het College het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief van 24 september 2008 is van informatieve aard en niet gericht op rechtsgevolg. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5807 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2009, 08/5065 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Til, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

1.2. Bij brief van 24 september 2008 heeft het College aan appellant meegedeeld

dat een nieuw onderzoek naar mogelijkheden voor arbeidsintegratie zal plaatsvinden, dat op 6 oktober 2008 daartoe een onderzoek zal plaatsvinden en dat het College er vanuit gaat dat appellant daar aan zal meewerken. Het College heeft voorts gemeld dat als appellant niet verschijnt of als appellant niet voldoende meewerkt aan het onderzoek, dat gevolgen kan hebben voor zijn uitkering. Ten slotte is in deze brief verwezen naar de van belang zijnde wettelijke regeling en wel artikel 17 van de WWB.

1.3. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het College het bezwaar tegen de brief van 24 september 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de brief van 24 september 2008 van informatieve aard is en niet gericht is op rechtsgevolg. De brief is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

2 december 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, in navolging van het College, geoordeeld dat de brief van 24 september 2008 niet gekwalificeerd kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat deze geen rechtshandeling inhoudt. De brief is volgens de rechtbank slechts een herhaling van de in de WWB neergelegde medewerkingverplichting, die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB en van rechtswege aan de bijstand is verbonden (vgl. CRvB 28 oktober 2008, LJN: BG3650). De mededeling van het College dat het niet meewerken aan het onderzoek door appellant mogelijk rechtsgevolgen teweeg kan brengen, ziet volgens de rechtbank niet op rechtsgevolg vanwege het niet definitieve karakter hiervan.

3.1. Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant in hoofdzaak aangevoerd dat wel sprake is van een rechtsgevolg, omdat het College heeft beoogd een verplichting voor appellant te doen ontstaan.

3.2. Het College heeft gemotiveerd gepersisteerd bij zijn in het besluit van

2 december 2008 neergelegde standpunt.

4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het College het bezwaar tegen de brief van 24 september 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Raad verenigt zich met de strekking van de aangevallen uitspraak en wijst er - onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie (CRvB 28 oktober 2008, LJN: BG3650) - op dat in de brief van 24 september van 2008 de van rechtswege op grond van artikel 9 van de WWB aan het recht op bijstand verbonden verplichtingen zijn herhaald. Deze brief strekt er slechts toe appellant daar aan te herinneren, brengt (nog) geen wijziging in de bestaande rechtspositie van hem en is derhalve niet op enig rechtsgevolg gericht.

4.2. Het bezwaar van appellant was derhalve niet gericht tegen een besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dan ook terecht het besluit van 2 december 2008 in stand gelaten.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en M.I. ‘t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

AV