Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
07-7158 WWB + 08-3584 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Autohandel. Met het nadere besluit niet geheel tegemoet gekomen. De niet-ontvankelijkverklaring: De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000. Intrekking en de terugvordering over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000 houdt geen stand. De intrekking over de periode van 21 mei 2002 tot 28 februari 2006: De vergaande betrokkenheid bij autohandel is aangetoond. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Het in het (eerste) besluit neergelegde terugvorderingsbesluit komt in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7158 WWB

08/3584 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 november 2007, 07/2020 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft nadien een nieuw besluit op bezwaar aan de Raad gezonden. Daarop is van de zijde van appellant een schriftelijke reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving geruimte tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellant werkzaamheden verricht en over een huis beschikt in Bosnië, heeft de sociale recherche van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW), is op 15 maart 2006 onderzoek in de woning van appellant verricht, en is appellant verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 9 juni 2006. De betaling van de uitkering was intussen - per 1 maart 2006 - geblokkeerd.

1.3. Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000 ingetrokken op de grond dat hij tijdens die periode beschikte over vermogen met een hogere waarde dan het voor hem geldende bedrag van het vrij te laten vermogen. Volgens het College werd dit vermogen vooral bepaald door het bezit van een auto van het merk [merk auto]. Tevens heeft het College de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.711,08 van appellant teruggevorderd. Bij het besluit van 15 augustus 2006 heeft het College voorts de bijstand van appellant over de periode van 7 februari 2002 tot en met 28 februari 2006 ingetrokken op de grond dat hij als zelfstandige werkzaam is geweest in de autohandel, en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.489,11 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2006 ongegrond verklaard, onder bijstelling van de grondslag van de intrekking over de tweede periode in die zin dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld omdat hij van zijn activiteiten als zelfstandig autohandelaar dan wel van zijn op geld waardeerbare werkzaamheden in de autohandel voor een neef geen administratie heeft bijgehouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 mei 2007 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de intrekking over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het bezwaar van appellant niet op deze periode zag. Het beroep is gegrond verklaard voor zover het betreft de intrekking over de periode van 7 februari 2002 tot 21 mei 2002 en het besluit van 1 mei 2007 is in zoverre en voor zover het de terugvordering betreft in zijn geheel vernietigd, waartoe de rechtbank heeft overwogen dat niet eerder dan vanaf 21 mei 2002 kan worden gesproken van autohandel. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht, en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring en het in stand laten van de intrekking over de periode vanaf 21 mei 2002.

4. Het College heeft in de uitspraak berust en, hangende het hoger beroep, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 26 mei 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de intrekking van de bijstand gehandhaafd met uitzondering van de intrekking over de periode van 7 februari 2002 tot 21 mei 2002, en is het bedrag van de terugvordering dienovereenkomstig naar beneden bijgesteld naar het bedrag van € 57.593,26. Nu met dit besluit slechts ten dele tegemoet wordt gekomen aan het beroep van appellant, zal de Raad dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling betrekken.

5. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak tot de volgende beoordeling.

5.1. De niet-ontvankelijkverklaring.

5.1.1. De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000. In zijn bezwaarschrift van 20 september 2006 heeft appellant deze periode niet uitgezonderd van zijn bezwaren, en uit bladzijde 2 van het verslag van de hoorzitting van 5 januari 2007 blijkt dat de vraag of het vermogen van appellant in 2000 nog tot intrekking en terugvordering mocht leiden daar uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Van de zijde van appellant is bij die gelegenheid onder meer aangevoerd dat terugvordering als gevolg van verjaring niet meer mogelijk was. Ook het College heeft bij zijn besluitvorming het bezwaar mede gericht geacht tegen de intrekking en de terugvordering over de in 2000 gelegen periode en daaraan - terecht - ook overwegingen gewijd in zijn besluit van 1 mei 2007.

5.1.2. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad acht het niet nodig de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank, en zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

5.2. Met betrekking tot de intrekking en de terugvordering over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000 overweegt de Raad als volgt.

5.2.1. Uit een tot de gedingstukken behorend rapport van de sociale recherche van 3 maart 2003 blijkt dat reeds in het begin van 2001 naar aanleidingen van meldingen - voor zover in dit geding van belang - dat appellant in het bezit was van een [merk auto], daarnaar onderzoek is ingesteld. Volgens dit rapport is uit dat onderzoek, in welk kader appellant een verklaring heeft afgelegd en waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2001, niet gebleken van fraude. Ook in het rapport van de sociale recherche van 3 maart 2003 is geen aanleiding gezien om aan het feit dat appellant in 2000 in het bezit was van een [merk auto] gevolgen te verbinden voor de verlening van de bijstand.

5.2.2. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat de [merk auto] in de hiervoor bedoelde periode steeds op naam van appellant heeft gestaan. Appellant heeft op 15 maart 2006 verklaard dat hij voor deze auto een bedrag van f. 26.000,-- heeft betaald, wat meer is dan het bedrag van de destijds voor appellant geldende grens van het vrij te laten vermogen zodat er, alleen uitgaande van dit gegeven, over deze periode geen recht op bijstand zou hebben bestaan. Niet is gebleken om welke reden het College niet al (kort) na januari 2001, nadat het op de hoogte was geraakt van het feit dat appellant een [merk auto] bezat, heeft besloten tot intrekking van de bijstand over te gaan. De Raad is voorts niet overtuigd geraakt van de juistheid van het standpunt van het College dat appellant wat betreft het bezit van de Audi zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hierbij betrekt de Raad dat in januari 2001 juist geen fraude bij appellant is aangenomen. In de gedingstukken ziet de Raad voorts geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de bevindingen van het in 2006 ingestelde onderzoek, vergeleken met de eerdere onderzoeken in 2001 en 2003, nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht hebben gebracht wat betreft het bezit van de [merk auto]. Zo het College op grond van artikel 54, derde lid, onder b, van de WWB op 15 augustus 2006 al bevoegd kon worden geacht tot intrekking van de bijstand, dan moet worden geoordeeld dat het College op die datum van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik meer heeft kunnen maken. De intrekking kan in zoverre derhalve geen stand houden. Nu het besluit tot terugvordering van de bijstand over deze periode geheel berust op het besluit tot intrekking, kan de terugvordering over deze periode evenmin standhouden.

5.3. De intrekking over de periode van 21 mei 2002 tot 28 februari 2006.

5.3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in de onderzoeksgegevens een toereikende grondslag kan worden gevonden voor het standpunt van het College dat appellant in deze periode zelf werkzaam is geweest op het gebied van de handel in auto’s dan wel daarbij ten behoeve van derden betrokken is geweest. De Raad kan zich in grote lijnen vinden in het oordeel van de rechtbank, zoals neergelegd op bladzijde 3, onderaan, van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan het volgende toe. De onderzoeksgegevens duiden weliswaar niet op een doorlopende autohandel in die zin dat (steeds) sprake is geweest van transacties met op naam van appellant gestelde auto’s, maar wel op een duidelijke betrokkenheid bij autohandel. Tijdens het huisbezoek is een aanzienlijk aantal bescheiden aangetroffen die alle zien op de handel in auto’s of motoren. Het gaat daarbij onder meer om blanco formulieren die bij transacties konden worden gebruikt, om gedeeltelijk voorbewerkte papieren, om papieren die voor concrete transacties zijn gebruikt, om gegevens over handelsvoorraden, en om advertenties. Op de datum van het huisbezoek was nog een website van het bedrijf van appellant actief. Naar op basis van diverse van de aangetroffen bescheiden moet worden aangenomen, deden deze papieren en formulieren alsmede de website zowel dienst voor het eigen, bij de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven, bedrijf van appellant als voor het in het buitenland gevestigde bedrijf van de neef van appellant. Wat dat laatste betreft overweegt de Raad dat uit de verklaring die appellant op 1 juni 2006 heeft afgelegd de nauwe betrokkenheid van appellant bij dat bedrijf duidelijk naar voren komt. Die betrokkenheid gaat, mede gelet op de aard van de in de woning aangetroffen bescheiden, veel verder dan het incidenteel of bij wijze van hobby meehelpen in dat bedrijf. Appellant heeft nog aangevoerd dat aan de inschrijving van zijn bedrijf bij de KvK geen doorslaggevende betekenis toekomt. Dat is op zichzelf bezien wel juist; de enkele inschrijving van een bedrijf in het handelsregister bij de KvK is niet voldoende. In combinatie met de overige onderzoeksgegevens moet evenwel worden geoordeeld dat deze inschrijving van het bedrijf van appellant in het handelsregister van de KvK, die vanaf 29 maart 2004 uitdrukkelijk als handelsactiviteit de handel in tweedehands auto’s vermeldt, in overeenstemming is met de feitelijke situatie. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke activiteiten van appellant in de autohandel op 21 mei 2002 zijn gestart voor onjuist te houden.

5.3.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de hiervoor beschreven activiteiten moeten worden beschouwd als op geld waardeerbare activiteiten, waarmee inkomsten konden worden verworven. Appellant heeft, nadat zijn aanvraag om een krediet voor het starten van een autohandel door het College was afgewezen, van de aanvang van deze activiteiten in mei 2002 aan het College geen mededeling gedaan. Daarmee heeft hij zijn inlichtingenverplichting ingevolge achtereenvolgens artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Een dergelijke schending levert naar vaste rechtspraak grondslag op voor intrekking van de bijstand als tengevolge van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken, en zo nodig te bewijzen, dat hij, indien wel aan de inlichtingenverplichting was voldaan, recht op (aanvullende) bijstand had gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij voor deze activiteiten geen inkomsten heeft ontvangen acht de Raad, tegen de achtergrond van de onderzoeksgegevens, zonder meer onvoldoende. Appellant heeft van zijn activiteiten op het gebied van de autohandel geen administratie bijgehouden. Dat betekent dat het recht van appellant op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Aan appellant is derhalve over deze periode ten onrechte bijstand verleend.

5.3.3. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand van appellant over deze periode. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen grieven gericht, zodat het oordeel van de rechtbank hierover verder buiten bespreking kan blijven.

5.3.4. Het College was weliswaar tevens bevoegd tot terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB, maar de rechtbank heeft terecht bepaald dat het terugvorderingsbesluit niettemin geen stand kon houden vanwege de ondeelbaarheid van een dergelijk besluit.

5.3.5. Met betrekking tot deze periode komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven. In zoverre slaagt het hoger beroep dus niet.

6. Met betrekking tot het besluit van 26 mei 2008, dat geheel in de plaats is gekomen van het besluit van 1 mei 2007, overweegt de Raad als volgt.

6.1. Met dit besluit heeft het College weliswaar een juiste uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak, maar uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 met betrekking tot de aangevallen uitspraak is overwogen volgt dat dit besluit niet ten volle stand kan houden.

6.2. De Raad zal het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en het vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor zover het betreft de intrekking over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000. Het besluit van 15 augustus 2006 lijdt in zoverre aan hetzelfde gebrek en naar het oordeel van de Raad kan dit gebrek niet worden hersteld. Gelet daarop zal de Raad, met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 15 augustus 2006 in zoverre herroepen.

6.3. Het in het besluit van 26 mei 2008 neergelegde terugvorderingsbesluit komt in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking, waartoe de Raad kortheidshalve verwijst naar hetgeen reeds is overwogen onder 5.3.4. De Raad zal het College opdragen met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad dat hij in de thans voorhanden zijnde gegevens geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik zou kunnen maken (uitsluitend) voor zover het betreft de periode van 21 mei 2002 tot 28 februari 2006.

7. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 23,-- voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 mei 2008 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000 en de terugvordering in haar geheel;

Herroept het besluit van 15 augustus 2006 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 4 april 2000 tot en met 10 december 2000;

Draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 667,--, te voldoen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter, en C. van Viegen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ