Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
08-122 WWB + 08-5768 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand wegens werkzaamheden als zelfstandige. Inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen.

Diverse periodes. Terugvordering: uit de gedingstukken blijkt dat het College heeft aangegeven dat over het jaar 2004 het terug te vorderen bedrag onjuist is vastgesteld; de Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/122 WWB

08/5768 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 november 2007, 06/4390 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 4 juni 2008 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lamers. Het College heeft zich - zonder voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 26 mei 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 19 augustus 2003 is een aanvraag van appellante om bijstand ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, in verband met het voornemen van appellante een haar- en nagelstudio onder de naam [nagelstudio] te starten, afgewezen op de grond dat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf. Op 11 april 2005 is appellante aangemeld bij SagEnn voor een persoonlijk ontwikkelingsadvies. Van dit traject is op 20 juni 2005 een rapport opgemaakt en gezonden naar Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht. Uit dit rapport blijkt dat appellante heeft gemeld op vrijwillige basis werkzaamheden te verrichten als nagelstyliste en kapster zonder hiervoor een vergoeding te vragen. Vervolgens is appellante op 26 april 2006 aangemeld bij Bureau Zelfstandigen Utrecht. Uit het naar aanleiding hiervan opgemaakte rapport van 10 mei 2006 blijkt dat appellante heeft aangegeven op kleine schaal kosteloos kunstnagels te zetten bij vrienden en kennissen.

1.2. Ondertussen is naar aanleiding van een aantal anonieme tips door het Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Utrecht (hierna: Team Handhaving) in april 2006 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn observaties verricht, zijn bij leveranciers aankoopnota’s van aan appellante geleverde producten opgevraagd, is appellante een aantal keren verhoord en is haar agenda in beslag genomen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 juli 2006. Op grond daarvan heeft het College bij besluit van 12 juli 2006 de bijstand van appellante met ingang van 26 mei 2003 ingetrokken en de over de periode van 26 mei 2003 tot en met 31 mei 2006 gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 23.592,55. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 26 mei 2003 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en hieruit inkomsten heeft genoten zonder hiervan het College op de hoogte te stellen. Aangezien het College niet beschikt over informatie over de door appellante genoten inkomsten is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het College het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken over januari 2004 en over de periode van 1 april 2004 tot en met 31 mei 2006. Het van appellante terug te vorderen bedrag is nader bepaald op € 17.196,82 (€ 14.165,79 bruto plus € 3.031,03 netto).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 8 november 2006 gegrond verklaard, dit besluit - voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 20 juni 2005 en de hiermee samenhangende terugvordering - vernietigd en het College opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 4 juni 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

5. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het de periode vóór 20 juni 2005 betreft. Door appellante wordt - samengevat - niet betwist dat zij gedurende de perioden in geding werkzaamheden als nagelstyliste en kapster heeft verricht. Appellante betwist dat het College van deze werkzaamheden niet op de hoogte was en voorts dat haar inkomsten uit deze werkzaamheden meer bedroegen dan de door haar gemaakte onkosten.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. De Raad leest de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het College zich ten aanzien van januari 2004 en de periode van 1 april 2004 tot 20 juni 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van het verstrekken van onjuiste inlichtingen omtrent de door appellante verrichte werkzaamheden het recht op bijstand niet is vast te stellen. Nu het College uit het advies van SagEnn van 20 juni 2005 had kunnen opmaken dat appellante op geld waardeerbare activiteiten verrichtte, is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de periode ná 20 juni 2005 het College ten onrechte heeft geconcludeerd dat als gevolg van het schenden van de op appellante rustende inlichtingenverplichting het recht op bijstand gedurende de periode 20 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 niet is vast te stellen, zodat het College ten onrechte artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB aan haar besluit tot intrekking van de bijstand over deze periode ten grondslag heeft gelegd. Het College zal dienen te onderzoeken of artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd kan worden en in verband hiermede dienen vast te stellen in hoeverre in de periode van 20 juni 2005 tot 31 mei 2006 recht op bijstand bestond.

6.2. De Raad overweegt het volgende.

6.2.1. De Raad stelt voorop dat het besluit van 4 juni 2008 is aan te merken als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

6.3. Intrekking over januari 2004 en van 1 april 2004 tot 20 juni 2005

6.3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft januari 2004 en de periode van 1 april 2004 tot 20 juni 2005 uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat appellante het College onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt omtrent de door haar verrichte werkzaamheden als nagelstyliste en kapster. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat appellante gedurende deze perioden het College van de precieze aard en omvang van de door haar verrichte werkzaamheden op de hoogte heeft gesteld. Appellante heeft ook nagelaten hiervan melding te maken op haar inkomstenverklaringen, terwijl zij daartoe onverkort gehouden was. De Raad is voorts van oordeel dat de door haar verrichte werkzaamheden moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden waarvoor normaliter inkomsten worden ontvangen of kunnen worden bedongen. De Raad acht het - gezien het aantal in de agenda van appellante genoteerde afspraken, de hoogte van de facturen van de door appellante in 2004 en 2005 afgenomen producten en de door haar in gebruik genomen website - niet aannemelijk dat het hier - zoals appellante stelt - slechts om incidentele vriendendiensten gaat met als enig doel een klantenkring op te bouwen.

6.3.2. Als gevolg van de onder 6.3.1 vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting is niet meer vast te stellen of, en zo ja, in welke mate appellante gedurende de in geding zijnde perioden verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Hiertoe overweegt de Raad dat appellante geen deugdelijke boekhouding of anderszins een administratie van haar activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten heeft bijgehouden, zodat de omvang van die activiteiten en de hoogte van de inkomsten niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot intrekking van de bijstand over januari 2004 en over de periode van

1 april 2004 tot 20 juni 2005 over te gaan. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

6.3.3. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

6.4. Intrekking over de periode 20 juni 2005 tot en met 31 mei 2006.

6.4.1. Het College heeft ter uitvoering van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, appellante bij brieven van 12 december 2007, 31 januari 2008 en 3 maart 2008 verzocht gegevens te verstrekken omtrent de omvang van haar werkzaamheden en hieruit genoten inkomsten. Omdat appellante naar aanleiding van deze verzoeken geen objectiveerbare en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, is het College overgegaan tot een schatting van haar inkomsten. Het College is hierbij uitgegaan van het aantal in de agenda van appellante vermelde afspraken, heeft de gemiddelde duur van een behandeling op 1 uur gesteld en heeft deze uren vervolgens afgezet tegen het minimumloon. Dit heeft ertoe geleid dat het College bij besluit van 4 juni 2008 - voor zover aan de orde - de beslissing omtrent de intrekking van de bijstand voor wat betreft de periode van 20 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 onder aanpassing van de motivering heeft gehandhaafd, in die zin dat gezien de hoogte van de vastgestelde inkomsten appellante gedurende deze periode geen recht op bijstand heeft. Het terug te vorderen bedrag is nader vastgesteld op € 19.142,78.

6.4.2. De Raad kan zich vinden in de wijze waarop het College de inkomsten van appellante heeft vastgesteld en acht - nu van de zijde van appellante geen gegevens zijn verstrekt die aanleiding zouden kunnen geven tot een andere vaststelling - deze berekeningswijze niet onredelijk. Dit betekent dat voor de periode van 20 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken. Voor de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt geldt hetzelfde als is overwogen onder 6.3.2.

6.5. Terugvordering

6.5.1. Uit hetgeen onder 6.3.2 en 6.4.2 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over januari 2004 en over de periode van 1 april 2004 tot en met 31 mei 2006. Uit de gedingstukken blijkt dat het College heeft aangegeven dat over het jaar 2004 het terug te vorderen bedrag onjuist is vastgesteld. Het besluit van 4 juni 2008 komt dan ook voor wat de hoogte van de terugvordering betreft voor vernietiging in aanmerking. Nu - zoals de Raad ter zitting is gebleken - appellante tegen de berekening van het terug te vorderen bedrag op zich geen bezwaren heeft, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de hoogte van de terugvordering te bepalen op € 17.919,24 (€ 5.094, 34 bruto over het jaar 2004,

€ 9.071,45 bruto over het jaar 2005 en € 3.753,45 bruto over het jaar 2006). De Raad merkt hierbij op dat niet valt in te zien dat appellante door het maken van bezwaar in een slechtere positie is komen te verkeren nu het College bij besluit van 4 juni 2008 gebruik heeft gemaakt van zijn op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB toekomende bevoegdheid en tot brutering van het terugvorderingsbedrag over het jaar 2006 is overgegaan.

7. Proceskosten

7.1. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 juni 2008 voor zover dit ziet op de hoogte van de terugvordering;

Stelt het van appellante terug te vorderen bedrag aan bijstand vast op € 17.919,24;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV