Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
08-748 WWB + 08-749 WWB + 09-3732 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing nieuwe aanvraag om een bijstands uitkering toe te kennen. De Raad is tot de conclusie gekomen dat appellant in de periode van 24 augustus 1999 tot en met 14 november 2006 gerechtigd was tot onroerend goed in Suriname, waarvan hij ten onrechte geen melding heeft gemaakt en waarvan de waarde niet met voldoende zekerheid is vast te stellen. De Raad heeft toen als zijn oordeel uitgesproken dat, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, het recht van appellanten op bijstand niet kan worden vastgesteld. Reeds omdat appellanten in het kader van de onderhavige - onder 1.5 tot en met 1.7 genoemde - aanvragen met betrekking tot de rechten op de onroerende zaken in Suriname geen andere gegevens hebben verstrekt dan al bekend waren in de procedure die heeft geleid tot de onder 1.4 genoemde uitspraak, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat niet is aangetoond dat in de hier te beoordelen perioden sprake is van een wijziging van omstandigheden in de onder 4.1 bedoelde zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/748 WWB

08/749 WWB

09/3732 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 december 2007, 07/955 en 07/956 (hierna: uitspraak 1) en 28 mei 2009, 08/1162 en 08/411 (hierna: uitspraak 2),

en [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen uitspraak 1,

in de gedingen tussen:

appellant(en)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 1. Namens appellant heeft mr. dr. Dayala hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 2.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 13 april 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 24 augustus 1999 - met een onderbreking - bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten in Suriname over vermogen zouden beschikken en daar een landhuis zouden bezitten is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende uitkering. Het Internationaal Bureau Fraude informatie (hierna: IBF) heeft op 9 juni 2006 gerapporteerd dat appellant eigenaar is van diverse percelen onroerend goed in Suriname met een totale waarde van € 918.050,--.

1.3. Vervolgens heeft het College bij besluiten van 14 en 15 november 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2007, de bijstand van appellanten met ingang van 24 augustus 1999 ingetrokken en de kosten van de aan appellanten over de periode van 24 augustus 1999 tot en met 31 oktober 2006 verleende bijstand tot een bedrag van

€ 131.648,83 van hen teruggevorderd. Bij besluit van 16 januari 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2007, heeft het College een aanvraag om bijstand van appellanten van 11 december 2006 afgewezen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 juli 2007 de tegen de besluiten van 15 februari 2007 en 16 februari 2007 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4. De Raad heeft de onder 1.3 vermelde uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 21 april 2009 (LJN BI3826) bevestigd.

1.5. Bij besluit van 13 maart 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2007, heeft het College de nieuwe aanvraag om bijstand van appellanten van 1 maart 2007 afgewezen op de grond dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

1.6. Vervolgens heeft het College bij besluit van 5 november 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2008, de nieuwe aanvraag om bijstand van appellant van 1 oktober 2007 afgewezen op dezelfde grond als vermeld onder 1.5.

1.7. Bij besluit van 26 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2008, heeft het College de nieuwe aanvraag om bijstand van appellant van 8 februari 2008 afgewezen op dezelfde grond als vermeld onder 1.5.

2. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2008 en 9 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten (opnieuw) aangevoerd dat hun vermogenssituatie voldoende duidelijk is en dat er nu wel recht op bijstand bestaat. Hierbij hebben zij stukken overgelegd met betrekking tot de rechten van appellant op onroerend goed in Suriname.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in deze gedingen de periodes van 1 maart 2007 tot en met 13 maart 2007, 1 oktober 2007 tot en met 5 november 2007 en 8 februari 2008 tot en met

26 februari 2008 moeten worden beoordeeld.

4.3. In zijn onder 1.4 genoemde uitspraak is de Raad tot de conclusie gekomen dat appellant in de periode van 24 augustus 1999 tot en met 14 november 2006 gerechtigd was tot onroerend goed in Suriname, waarvan hij ten onrechte geen melding heeft gemaakt en waarvan de waarde niet met voldoende zekerheid is vast te stellen. De Raad heeft toen als zijn oordeel uitgesproken dat, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, het recht van appellanten op bijstand niet kan worden vastgesteld. Reeds omdat appellanten in het kader van de onderhavige - onder 1.5 tot en met 1.7 genoemde - aanvragen met betrekking tot de rechten op de onroerende zaken in Suriname geen andere gegevens hebben verstrekt dan al bekend waren in de procedure die heeft geleid tot de onder 1.4 genoemde uitspraak, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat niet is aangetoond dat in de hier te beoordelen perioden sprake is van een wijziging van omstandigheden in de onder 4.1 bedoelde zin.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken - wat betreft uitspraak 1: voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Bevestigt uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C. van Viegen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

AV