Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
09-4426 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van een airconditioning. De Raad is van oordeel dat het College door zich bij het besluit van 18 juli 2008 te baseren op het nadere advies van het CIZ van 15 april 2008 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 6 december 2007, nu aan dat advies naar het oordeel van de Raad hetzelfde door de rechtbank in zijn uitspraak van 6 december 2007 geconstateerde gebrek kleeft als aan het advies van 5 oktober 2006. Daaraan doet niet af dat ter voorbereiding van het advies van 15 april 2008, anders dan bij het advies van 5 oktober 2006, wel medische informatie is opgevraagd bij de behandelend specialist. De Raad gaat er op grond van de CIZ adviezen vanuit dat maatregelen dan wel voorzieningen die voor verkoeling zorgen in het geval van appellant medisch noodzakelijk zijn. Een warmtetechnisch onderzoek ter beantwoording van de vraag of in het geval van appellant, gegeven de medische noodzaak van verkoelende maatregelen, de gevraagde voorziening in de vorm van een airconditioning noodzakelijk is dient te worden verricht door het College, waarbij rekening kan worden gehouden met onder meer de effecten van de in het advies van 5 oktober 2006 genoemde maatregelen en eventuele andere (goedkopere) voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/160
RZA 2010/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4426 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juni 2009, 08/1446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 20 april 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft op 28 juli 2006 bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van een

airconditioning.

1.2. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het College deze aanvraag, na ingewonnen advies bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ), afgewezen.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het College het tegen het besluit van 16 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De besluitvorming berust onder meer op de grondslag dat uit het advies van het CIZ blijkt dat de medische noodzaak van een airconditioning ontbreekt.

1.4. Bij uitspraak van 6 december 2007, voor zover van belang, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 januari 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een ondeugdelijk advies.

1.5. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.6. Vervolgens heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2007 bij besluit van 18 juli 2008, na opnieuw advies te hebben ingewonnen bij het CIZ, het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 18 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek dat de rechtbank in zijn uitspraak van 6 december 2007 heeft opgedragen, wederom niet zorgvuldig is geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant lijdt aan de ziekte Multiple Sclerose (MS) en dat hij als gevolg van zijn ziekte klachten ondervindt die bij hogere temperaturen verergeren. In het advies van 5 oktober 2006 dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt stelt de CIZ arts dat het voor appellant dan ook noodzakelijk is maatregelen te nemen tegen de warmte, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan het aanbrengen van zonneschermen in de woning van appellant, het gebruik van een ventilator of het aanbrengen van natte doeken op het lichaam. Verder stelt de CIZ arts dat het moeilijk is aan te geven of een airconditioning in het geval van appellant medisch noodzakelijk is, omdat dan op een hete dag in de woning nagegaan moet worden welke temperatuur er heerst, nadat alle voorliggende maatregelen genomen zijn. Van dat advies heeft de rechtbank in zijn uitspraak van 6 december 2007 gezegd dat hieruit geen eenduidige conclusie valt te trekken over de door het College te beantwoorden vraag of er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijk kosten van het bestaan en dat, nu de medische noodzaak in het midden wordt gelaten, er geen sprake is van een zorgvuldige besluitvorming. Niettemin komt het CIZ in het nadere advies van 15 april 2008 wederom tot de conclusie dat de medische noodzaak voor een airconditioning niet kan worden geobjectiveerd. Als reden daarvoor wordt in het advies aangegeven dat noch op grond van de gedingstukken, noch tijdens het spreekuur geobjectiveerd kan worden bij welke omgevingstemperaturen en in welke mate verergering van zijn aandoening optreedt. Een onderzoek in de woning naar de omgevingstemperaturen, als alle maatregelen genoemd in het eerste advies bij een hoge buitentemperatuur zijn genomen, is op korte termijn gezien het jaargetijde, de onvoorspelbaarheid en korte duur van warme dagen praktisch niet te realiseren, aldus het advies.

4.3. De Raad is van oordeel dat het College door zich bij het besluit van 18 juli 2008 te baseren op het nadere advies van het CIZ van 15 april 2008 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 6 december 2007, nu aan dat advies naar het oordeel van de Raad hetzelfde door de rechtbank in zijn uitspraak van 6 december 2007 geconstateerde gebrek kleeft als aan het advies van 5 oktober 2006. Daaraan doet niet af dat ter voorbereiding van het advies van 15 april 2008, anders dan bij het advies van 5 oktober 2006, wel medische informatie is opgevraagd bij de behandelend specialist.

4.4. De Raad gaat er op grond van de CIZ adviezen vanuit dat maatregelen dan wel voorzieningen die voor verkoeling zorgen in het geval van appellant medisch noodzakelijk zijn. Een warmtetechnisch onderzoek ter beantwoording van de vraag of in het geval van appellant, gegeven de medische noodzaak van verkoelende maatregelen, de gevraagde voorziening in de vorm van een airconditioning noodzakelijk is dient te worden verricht door het College, waarbij rekening kan worden gehouden met onder meer de effecten van de in het advies van 5 oktober 2006 genoemde maatregelen en eventuele andere (goedkopere) voorzieningen.

4.5. Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 18 juli 2008 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2006 met inachtneming van deze uitspraak. De Raad gaat er daarbij vanuit dat dit met de nodige voortvarendheid zal geschieden gelet op het tijdsverloop in deze zaak.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 juli 2008;

Draagt het College op opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2006 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

AV