Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
08-4474 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting door geen melding te maken van twee bankrekeningen en contante stortingen. De Raad is met appellante van oordeel dat de contante stortingen in de maand waarin deze zijn verricht als inkomen in aanmerking worden genomen, als zodanig op de bijstandsnorm in mindering worden gebracht en, voor zover zij die norm overschrijden, aan haar vermogen worden toegevoegd. Zij is van mening dat op deze wijze vaststelling van het recht op bijstand wel degelijk mogelijk is. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit op bezwaar van 2 mei 2007 is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij tevens te beslissen omtrent de bezwaarkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4474 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 18 juni 2008, 07/4281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Ensing, advocaat te 's Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Ensing. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.J. Vos-Kersten, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 17 augustus 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een signaal dat appellante enkele auto's en een caravan op haar naam had staan, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 december 2006. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat van autohandel geen sprake is geweest, maar dat appellante, naast de door haar aan het College opgegeven rekening bij de Postbank, nog beschikte over een tweede rekening bij de Postbank waarop regelmatig aanzienlijke contante bedragen zijn gestort.

1.2. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 17 januari 2007 de bijstand van appellante met ingang van 17 augustus 2003 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat appellante, naast de tweede rekening bij de Postbank, ook nog heeft beschikt over een rekening bij de Fortis Bank, dat zij deze twee rekeningen niet aan het College heeft opgegeven en dat als gevolg van die schending van de inlichtingenverplichting niet (meer) kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. Blijkens het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat appellante, door geen melding te maken van de twee bankrekeningen en de contante stortingen, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, en dat de saldi op de rekeningen bij gebreke van voldoende bewijs van het tegendeel tot haar vermogen dienen te worden gerekend.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting, over het gehele hier in geding zijnde tijdvak van 17 augustus 2003 tot en met 17 januari 2007 het recht van appellante op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

3.2. Appellante kan zich ermee verenigen dat de contante stortingen in de maand waarin deze zijn verricht als inkomen in aanmerking worden genomen, als zodanig op de bijstandsnorm in mindering worden gebracht en, voor zover zij die norm overschrijden, aan haar vermogen worden toegevoegd. Zij is van mening dat op deze wijze vaststelling van het recht op bijstand wel degelijk mogelijk is.

3.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, het bijstandverlenend orgaan daartoe dient over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (CRvB 20 september 2007, LJN BB6243).

3.4. De Raad is met appellante van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Het College heeft ter zitting bevestigd dat het beschikt over alle voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang zijnde bankgegevens. Aan de hand daarvan kunnen, op de wijze zoals onder 3.2 aangegeven, de contante stortingen als inkomsten worden verrekend en eventuele overschrijdingen van de voor appellante van toepassing zijnde vermogensgrens worden vastgesteld. Op die manier kan in ieder geval tot en met april 2006 een herberekening van de bijstand worden gemaakt; daarna is vooralsnog van stortingen niet gebleken. Feiten of omstandigheden die met zich brengen dat vaststelling van het recht op bijstand desondanks niet tot de mogelijkheden behoort, zijn door het College niet aangevoerd. Het enkele feit dat appellante tot september 2004 over een bankkluisje beschikte, acht de Raad niet voldoende. Het betrof hier een kluisje uit de tijd waarin appellante nog geen bijstand ontving en dat door haar uit eigen beweging is opgeheven. Er zijn vooralsnog geen concrete aanknopingspunten voor enig vermoeden dat het bezit van het kluisje wijst op verzwegen inkomsten of vermogen.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit op bezwaar van 2 mei 2007 is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij tevens te beslissen omtrent de bezwaarkosten.

4. De Raad acht termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag groot € 644, en in hoger beroep tot een bedrag eveneens groot € 644, , in totaal derhalve € 1.288, , alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Draagt het College op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288, , te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C. van Viegen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) R. Kooper.

(get.) R.L.G. Boot.

AV