Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
08-6338 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde. Na de eerste uitbetaling van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht (...) heeft appellant kunnen onderkennen dat geen premie volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering was ingehouden. Door pas in juni 2007 de Svb te verzoeken hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering AOW/ANW, kan niet gezegd worden dat appellant binnen een redelijk te achten termijn zich bij de Svb heeft gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6338 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2008, 07/4324 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Het geding is gevoegd behandeld met het geding 08/6062 AKW tussen dezelfde partijen. In beide gedingen wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Namens appellant is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1958, heeft in Nederland gewerkt. Hij is in mei 1991 ziek geworden en daarna naar Marokko teruggekeerd. Bij besluiten van 22 december 2003 en 8 januari 2004 is aan hem door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) medegedeeld dat hij recht heeft op een uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) tot 26 mei 1992 en vanaf die datum recht heeft op een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Op 14 juni 2007 heeft appellant een aanvraag gedaan om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen, omdat de verplichte verzekering voor deze wetten langer dan één jaar voor de aanvraag was geëindigd. Bij besluit op bezwaar van 8 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het bestreden besluit voor onjuist te houden.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat ten onrechte niet is aangenomen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden, dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn hem niet kan worden tegengeworpen. Tevens is hij van mening dat de aanmeldingstermijn in zijn geval pas afloopt op 1 januari 2008, zodat van een te late aanmelding niet gesproken kan worden. Dit laatste baseert appellant op het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden (Stb. 2005, 720, hierna: KB 720).

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd appellant toe te laten tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW.

4.2. Ingevolge de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en 63, 63a en 63b van de ANW is vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

4.3. Appellant heeft, met een aanvraagformulier gedateerd 14 juni 2007, verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde. Het feit dat inmiddels aan appellant met terugwerkende kracht een WAO-uitkering is toegekend, kon er in elk geval vanaf 1 januari 2000 niet toe leiden dat appellant (weer) verplicht verzekerd werd voor de volksverzekeringen, omdat met ingang van die datum artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1999, 746, hierna: Besluit 746) is vervallen. Op grond van dit artikel waren buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW.

4.4. Ten tweede is in deze procedure ook anderszins het tijdstip van 1 januari 2000 van belang. Toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht zou er toe leiden dat personen als appellant weliswaar verplicht verzekerd werden krachtens de volksverzekeringen, maar dat die verzekering in ieder geval per 1 januari 2000 zou eindigen. Vaststaat dat appellant over deze wijziging niet is geïnformeerd door het Uwv, terwijl bij die instantie bekend was dat een aanvraag om een WAO-uitkering aanhangig was en de beëindiging van de verplichte verzekering krachtens de volksverzekeringen in de nabije toekomst voor personen als appellant van groot belang zou kunnen zijn. Voorts stelt de Raad vast dat appellant eerst na de eerste uitbetaling van de WAO-uitkering in 2004 bij kennisneming - in 2005 - van het jaaroverzicht over het jaar 2002 heeft kunnen onderkennen dat geen premie volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering was ingehouden.

4.5. Echter, door pas in juni 2007 de Svb te verzoeken hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering AOW/ANW, kan niet gezegd worden dat appellant binnen een redelijk te achten termijn zich bij de Svb heeft gemeld.

4.6. De Raad merkt daarbij op dat de Svb terecht heeft overwogen dat geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellant niet tegengeworpen zou mogen worden.

4.7. Met betrekking tot de vraag of de aanmeldingstermijn, conform KB 720, in het geval van appellant eindigt op 1 januari 2008 verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 15 juni 2009 (LJN BJ3847) en 27 januari 2010 (LJN BL2114). In die uitspraken is uiteengezet waarom KB 720 niet van toepassing is op personen in de omstandigheden waarin ook appellant zich bevindt.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H.J. de Mooij en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) H.J. Simon.

(get.) W. Altenaar.

TM