Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
09-3132 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van een WUBO-uitkering. In de eerste plaats omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het eerdere besluit. Verder is in aanmerking genomen dat de nader aangevoerde lichamelijke klachten betrekking hebben op aandoeningen die constitutioneel en/of leeftijdsgebonden van aard zijn en derhalve niet in relatie staan met het oorlogsgeweld. Voldoende en zorgvuldig medisch onderzoek. De psychische klachten van appellant zijn in overwegende mate niet aan de geverifieerde oorlogscalamiteit toe te schrijven, en dat in die situatie in wezen nu geen verandering is opgetreden. Ongegrond verklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3132 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 19 mei 2009, kenmerk BZ 8645, JZ/I/70/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Voor appellant is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In juli 1994 heeft appellant, geboren in 1944 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van een periodieke uitkering.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 mei 1995, op de grond dat appellant tijdens de naoorlogse Bersiap-periode weliswaar is getroffen door oorlogs-geweld in de zin van de Wubo - te weten zijn internering in de kampen Patjet en Modjokerto - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wubo tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is aangegeven dat de ook door appellant vermelde mishandeling door een kampbewaker niet is bevestigd en daarom niet als calamiteit in de zin van de Wubo kan worden aanvaard. Verder is aangegeven dat de door appellant naar voren gebrachte lichamelijke en psychische klachten - blijkens de gedingstukken bestaande uit persoonlijkheidsproblematiek, lumbale rugklachten en oorklachten - duidelijk uit andere oorzaken dan de wel aanvaarde internering zijn ontstaan.

Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

1.2. In december 2007 heeft appellant bij verweerster nogmaals een aanvraag ingediend om hem te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en hem als zodanig voor, onder meer, een uitkering in aanmerking te brengen. Hierbij heeft appellant, naast de eerder aangevoerde medische klachten, nader gewezen op toegenomen psychische klachten en op oorsuizen, suikerziekte, duizeligheid, maagklachten, status na hartinfarct en oogklachten.

Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 25 juli 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hiertoe is in de eerste plaats overwogen dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van hetgeen is neergelegd in het eerdere besluit van 11 mei 1995. Verder is in aanmerking genomen dat de nader aangevoerde lichamelijke klachten betrekking hebben op aandoeningen die constitutioneel en/of leeftijdsgebonden van aard zijn en derhalve niet in relatie staan met het oorlogsgeweld. Wat de huidige psychische klachten betreft acht verweerster wederom gebleken dat hierbij de geverifieerde oorlogsgebeurtenis een ondergeschikte rol heeft gespeeld en dat vooral de problematische gezinssituatie tot die klachten heeft geleid.

1.3. In beroep is namens appellant aangevoerd dat het door verweerster ingenomen standpunt over de lichamelijke klachten onvoldoende is gemotiveerd. Verder is erop gewezen dat in het rapport van het medisch onderzoek waarop verweerster haar oordeel over de psychische klachten heeft gebaseerd ook sprake is van angstklachten en dat daarmee onvoldoende is rekening gehouden.

Verweerster heeft hierop bij verweerschrift en ter zitting gereageerd. Onder meer is aangegeven dat de inderdaad geconstateerde angstklachten van geringe betekenis zijn en nauwelijks leiden tot beperkingen.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. De hiervoor genoemde aanvraag van december 2007 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, ten dele het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluit van 11 mei 1995 over de aanvraag van juli 1994.

Ook de Raad moet echter vaststellen dat appellant bij dit verzoek en in bezwaar tegen de primaire afwijzing daarvan geen nieuwe feitelijke en/of medische gegevens heeft aangevoerd. Verweerster hoefde daarom niet terug te komen van hetgeen eerder is vastgelegd over de te aanvaarden oorlogscalamiteiten en over de causaliteit van de toen aan de orde zijnde psychische klachten, rug- en oorklachten.

2.2. Wat betreft de bij de huidige aanvraag aangevoerde nadere medische klachten heeft verweerster haar standpunt gebaseerd op nadere adviezen van haar geneeskundig adviseurs. In bezwaar is appellant ter verdere onderbouwing daarvan onderzocht door een van deze adviseurs, de arts A.A. Coster. In het van dit onderzoek opgemaakte rapport is, mede op basis van verkregen uitgebreide informatie uit de behandelende sector gemotiveerd aangegeven dat de lichamelijke klachten naar aard en tijdstip van ontstaan niet in verband zijn te brengen met de op zeer jeugdige leeftijd ondervonden oorlogs-calamiteit. Verder is aangegeven dat naast de nog steeds bestaande, overheersende persoonlijkheidsproblematiek nu ook gebleken is van enige angstklachten, waaronder vooral claustrofobische klachten, maar dat deze klachten appellant op zichzelf nauwelijks beperken in het leven van alledag dat voor een groot deel wordt bepaald door een volledig dienstverband als lasser met wisselende diensten en lange reizen per eigen auto. De vraag of die angstklachten verband houden met het oorlogsgeweld hoeft daarom nu niet te worden beantwoord, aldus het rapport.

2.2.1. De Raad acht het bestreden besluit in dit opzicht op basis van de genoemde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen enkel aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. Namens appellant zijn ook geen medische gegevens overgelegd die hierop een ander licht werpen. De Raad acht in dit verband ook gedegen onderbouwd dat de angstklachten op zichzelf voor appellant nauwelijks tot beperkingen leiden. In die omstandigheden is te billijken dat een causaliteitsoordeel hierover is opgeschort.

De conclusie moet dan zijn dat al eerder rechtens is vastgesteld dat de psychische klachten van appellant in overwegende mate niet aan de geverifieerde oorlogscalamiteit zijn toe te schrijven, en dat in die situatie in wezen nu geen verandering is opgetreden.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD