Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
09-399 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling subsidie op een lager bedrag dan eerder was verleend. Terugvordering. Deze maatregel is opgelegd omdat twee arbeidsplaatsen begeleid werken te weinig zijn gerealiseerd, hetgeen volgens appellant aan het werkvoorzieningschap kan worden verweten. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een verwijtbare tekortkoming behoort het geheel van door het werkvoorzieningschap geleverde inspanningen maatgevend behoort te zijn. Appellant is ten onrechte niet ingegaan op hetgeen het werkvoorzieningschap heeft gesteld aangaande de specifieke arbeidsmarkt in zijn regio en de door hem gekozen structurele werkwijze. Het bestreden besluit ontbeert voor wat betreft het opleggen van de maatregel en de terugvordering een draagkrachtige motivering en kan in zoverre geen stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/399 WSW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 december 2008, 07/8614 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Kust-, Duin- en Bollenstreek (hierna: werkvoorzieningschap)

en

appellant

Datum uitspraak: 3 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het werkvoorzieningschap heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Scheur en mr. L.E. Sipos, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het werkvoorzieningschap heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Muller en A.R. Verhoeven, beiden werkzaam bij het werkvoorzieningschap.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Bij besluit van 19 september 2005 heeft appellant aan het werkvoorzieningschap subsidie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) voor het jaar 2005 verleend ten behoeve van personen die tot de doelgroep van de Wsw behoren. Deze subsidie had mede betrekking op een taakstelling van zes arbeidsplaatsen begeleid werken.

2.3. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft appellant de subsidie op een lager bedrag vastgesteld dan dat van de bij besluit van 19 september 2005 verleende subsidie en een bedrag van € 49.396,- teruggevorderd. Deze maatregel is opgelegd omdat, voor zover hier van belang, twee arbeidsplaatsen begeleid werken te weinig zijn gerealiseerd, hetgeen volgens appellant aan het werkvoorzieningschap kan worden verweten. Het besluit van 25 juni 2007 is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 oktober 2007.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van het werkvoorzieningschap gegrond verklaard voor zover het zich richt tegen het opleggen van een maatregel ter hoogte van € 49.396,-, alsmede tegen de terugvordering van dit bedrag, en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat het oordeel dat het werkvoorzieningschap onvoldoende inspanningen heeft geleverd, onvoldoende is onderbouwd, nu dat oordeel slechts is gebaseerd op de grond dat het werkvoorzieningschap niet voor alle personen op de wachtlijst een inspanning heeft geleverd. Appellant is ten onrechte niet ingegaan op hetgeen het werkvoorzieningschap heeft gesteld aangaande de specifieke arbeidsmarkt in de regio en de door het werkvoorzieningschap gekozen (structurele) werkwijze, aldus de rechtbank.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 10 van het (ten tijde van belang geldende) Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken (hierna: Besluit), in samenhang met artikel 5 van de ter uitvoering hiervan vastgestelde ministeriële regeling, diende in 2005 ten minste 25% van de plaatsingen op grond van de Wsw te geschieden door middel van het bij voorrang aangaan van arbeidsovereenkomsten ter zake van begeleid werken, voor zover hiervoor geïndiceerden beschikbaar waren.

Op grond van artikel 11 van het Besluit dient het werkvoorzieningschap bij de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde op zijn werkplek een begeleidingsorganisatie in te schakelen en dit aan de geïndiceerde mee te delen. Bij de arbeidsinpassing wordt (onder meer) rekening gehouden met de wensen van de geïndiceerde met betrekking tot de keuze van de begeleidingsorganisatie.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het Besluit dient de minister een maatregel op te leggen indien de taakstelling voor begeleid werken niet is gerealiseerd; deze maatregel betreft een vermindering van de subsidie die gerelateerd is aan het aantal niet gerealiseerde plaatsingen. Volgens het tweede lid van dit artikel ziet de minister van het opleggen van een maatregel af indien het werkvoorzieningschap naar zijn oordeel aannemelijk heeft gemaakt dat het geen verwijt kan worden gemaakt van de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat over het jaar 2005 in vergelijking met de taakstelling twee plaatsingen te weinig zijn gerealiseerd. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de onderrealisatie aan het werkvoorzieningschap is te verwijten en of de opgelegde maatregel terecht is.

4.2.1. Appellant stelt, dat het werkvoorzieningschap slechts 40 van de 76 personen die in 2005 bij het werkvoorzieningschap op de wachtlijst stonden met een begeleid werken advies in dat jaar heeft aangemeld bij een begeleidingsorganisatie, ondanks de in artikel 11 van het Besluit neergelegde verplichting om alle geïndiceerden aan te melden. Nu het werkvoorzieningschap deze minimale en essentiële eerste stap bij 36 geïndiceerden achterwege heeft gelaten, moet geconcludeerd worden dat de onderrealisatie verwijtbaar is, aldus appellant.

Naar ter zitting van de Raad namens appellant nader is toegelicht, legt appellant in zijn beleid met betrekking tot de uitleg van het begrip verwijtbaarheid in artikel 27, tweede lid, van het Besluit een strikt verband met het al dan niet aanmelden van alle geïndiceerden bij een begeleidingorganisatie, waartoe artikel 11 van het Besluit volgens appellant verplicht. Dit brengt mee dat, indien niet voldaan is aan deze verplichting en er sprake is van onderrealisatie van begeleid werken plaatsingen, dat zonder meer grond vormt voor het nemen van een maatregel op grond van artikel 27, eerste lid, van het Besluit, omdat de verwijtbaarheid daarmee gegeven is. Of en in welke mate het werkvoorzieningschap zich op andere wijze heeft ingespannen om het aanbod aan begeleid werken plaatsen te realiseren, doet daarbij niet ter zake, aldus appellant.

4.2.2. Het werkvoorzieningschap stelt daar tegenover, dat het aanmelden van de 40 personen die het langst op de wachtlijst stonden, gelet op de taakstelling van zes plaatsingen, meer dan voldoende was om aan het op dat moment te verwachten aanbod aan arbeidsplaatsen te kunnen voldoen. Het laten oproepen door de begeleidings-organisatie van alle geïndiceerden zou slechts tot teleurstelling leiden bij velen van hen. Miskend wordt dat het werkvoorzieningschap aanzienlijke inspanningen heeft gepleegd om via contacten met werkgevers het aanbod aan begeleid werken plaatsen te stimuleren; dit beleid komt structureel ook ten goede aan degenen die pas later bij een begeleidings-organisatie worden aangemeld. Het aldus gevoerde beleid is inmiddels vruchtbaar gebleken, gelet op het aantal gerealiseerde plaatsen in latere jaren.

Volgens het werkvoorzieningschap kan de door de minister gehanteerde uitleg van het begrip verwijtbaarheid ertoe leiden, dat het voeren van een louter papieren uitvoerings-beleid, waarbij volstaan wordt met de minimaal vereiste aanmelding van alle geïndiceer-den, zonder dat daarbij enige begeleid werken plaatsing wordt gerealiseerd, ten onrechte met een volledig behoud van subsidie wordt gehonoreerd. Voorts leidt deze uitleg ertoe, dat een actief beleid, gericht op beschikbaarstelling van begeleid werken plaatsen door werkgevers, tot vermindering van subsidie wegens onderrealisatie kan leiden, louter op grond van het ontbreken van een aantal papieren aanmeldingen, ook indien onaanneme-lijk is dat het ontbreken van die aanmeldingen (mede) oorzaak is geweest van de onder-realisatie.

4.3. De Raad is van oordeel, dat voor de uitleg die appellant aan artikel 27 in samenhang met artikel 11 van het Besluit geeft, in tekst en strekking van die artikelen onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden. Wel kan de Raad appellant volgen in zijn opvatting, dat uit artikel 11, in het bijzonder uit het derde lid van dat artikel, de verplichting volgt, iedere individuele geïndiceerde aan te melden bij een begeleidingsorganisatie. Daarmee is echter nog niet gezegd, dat het niet aanstonds ten aanzien van iedere geïndiceerde voldoen aan deze verplichting zonder meer een verwijtbare tekortkoming als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van het Besluit oplevert. Noch in artikel 11 noch in artikel 27 wordt immers een dergelijk direct verband tussen beide bepalingen gelegd.

4.4. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de tekst van en de toelichting op artikel 27 veeleer, dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een verwijtbare tekortkoming het geheel van door het werkvoorzieningschap geleverde inspanningen maatgevend behoort te zijn. De toelichting op die bepaling stelt immers dat van verwijtbaarheid in ieder geval geen sprake zal zijn, indien de werkvoorzieningschap - ondanks aantoonbare inspanningen - niet genoeg arbeidsplaatsen voor begeleidwerkers heeft kunnen vinden bij reguliere werkgevers. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat onder aantoonbare inspanningen als hier bedoeld niet slechts kan worden begrepen het aanmelden van geïndiceerden bij een begeleidingsorganisatie, maar dat die inspanningen zich ook op andere wijze kunnen manifesteren.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid geconcludeerd, dat appellant ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen het werkvoorzieningschap heeft gesteld aangaande de specifieke arbeidsmarkt in zijn regio en de door hem gekozen structurele werkwijze, en dat het bestreden besluit voor wat betreft het opleggen van de maatregel en de terugvordering ten bedrage van € 49.396,- een draagkrachtige motivering ontbeert en in zoverre geen stand kan houden.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten bevestigd moet worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaey als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) C. de Blaey.

HD