Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-4246 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Benadelingshandeling. Terecht is geconstateerd dat appellant niet (voldoende) heeft meegewerkt aan zijn re-integratie.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4246 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/5162 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is zoals aangekondigd niet verschenen. Het Uwv is - na daartoe door de Raad te zijn opgeroepen - verschenen bij gemachtigde, in de persoon van mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende. Appellant was sinds 15 maart 2004 - laatstelijk voor onbepaalde tijd - als betonvloerenlegger in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats]. Op 23 mei 2005 is hij wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk, werkte daarna nog enige tijd op arbeidstherapeutische basis, doch viel definitief uit voor zijn werk na een auto-ongeval in november 2005. Aangezien appellant zich niet hield aan zijn re-integratieverplichtingen heeft zijn werkgeefster hem met toestemming van het Centrum voor werk en inkomen (CWI) per 11 augustus 2006 ontslagen.

1.2. Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellant om hem met ingang van 11 augustus 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

3. Bij besluit van 3 juni 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, onder andere gericht tegen het besluit van 22 augustus 2007, ongegrond verklaard. In dat kader heeft het Uwv aangevoerd dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, reden waarom de weigering aan appellant ziekengeld toe te kennen, wordt gehandhaafd.

4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit zich beperkt tot het handhaven van het besluit van 22 augustus 2007 en heeft dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de gedragingen van appellant hebben geleid tot de beëindiging van zijn dienstbetrekking en dat hij daarmee zijn recht op loondoorbetaling heeft prijsgegeven, zodat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van de ZW. De rechtbank zag verder geen grond om ten aanzien van appellant geen, dan wel een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat voortzetting van het dienstverband met zijn werkgeefster redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Het standpunt van appellant dat hij vanwege fysieke en geestelijke omstandigheden niet in staat was aangepaste werkzaamheden te verrichten, heeft appellant onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank bestonden er ook geen aanknopingspunten een dringende reden aan te nemen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

5. Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij niet serieus werd genomen en voorts aangegeven dat hij te lang zelf naar hulp voor zijn whiplashklachten heeft moeten zoeken. Zijn standpunt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand, met name de whiplashklachten, de werkzaamheden bij zijn werkgeefster niet kon voortzetten heeft hij niet nader kunnen onderbouwen, omdat hij vanwege financiële problemen de behandeling niet kon voortzetten. De neuroloog had echter snel na het ongeluk vastgesteld dat er sprake was van een acceleratie-deceleratie trauma en geadviseerd drie maanden rust te nemen en heeft tevens medicijnen tegen de pijn en om te ontspannen voorgeschreven. In mei 2006 heeft appellant een psychiater bezocht die concludeerde dat er een pijnstoornis was, gebonden aan zowel psychische factoren als aan een somatische aandoening. Naar de mening van appellant was hij in staat maximaal vier uur per dag aangepast werk te verrichten. Van een onvoldoende meewerken aan zijn re-integratie en daarmee van een benadelingshandeling was volgens appellant geen sprake.

6. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad moet worden vastgesteld dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd. Hetgeen appellant heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Terecht is geconstateerd dat appellant niet (voldoende) heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Steun voor dit oordeel ziet de Raad in de gegevens die blijken uit het zich onder de gedingstukken bevindende besluit van het CWI van 29 juni 2006 en die ten grondslag hebben gelegen aan het verlenen van toestemming voor het ontslag van appellant. Het Uwv heeft afdoende toegelicht dat hier sprake was van een benadelingshandeling die dient te worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vijfde categorie, ten 3º, van de bijlage onder A van het maatregelenbesluit Uwv en die gelet op de ernst van de gedraging of nalatigheid van appellant op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, ten 3º, van dit besluit leidt tot weigering van de gehele uitkering over de volledige uitkeringsduur. In het verweerschrift van 9 oktober 2009 is er terecht op gewezen dat appellant door de bedrijfsarts geschikt is geacht voor lichte werkzaamheden voor vier tot acht uur per dag en door de verzekeringsarts van het Uwv in het kader van het door appellant gevraagde deskundigenoordeel voor werkzaamheden gedurende ongeveer vier uur per dag. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht kan dan ook niet leiden tot het door hem gewenste resultaat. Afstemming van de opgelegde maatregel naar de mate van verwijtbaarheid en onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien, heeft naar het oordeel van de Raad in voldoende mate plaatsgehad en kan het standpunt van het Uwv dragen dat er geen grond bestaat om geen of verminderde verwijtbaarheid van appellant aan te nemen en dat niet is gebleken van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de ZW per 11 augustus 2006 af te zien.

7. Uit hetgeen is overwogen onder 6 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

EF