Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
08-7141 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft vanaf de (voorwaardelijke) herroeping van het strafontslag bij besluit van 18 augustus 2006 de gelegenheid gehad om met de dienst onverenigbare (neven)werkzaamheden af te bouwen. Appellant heeft moeten beseffen dat van de minister niet kan worden verwacht dat hij appellant toestond ongetoetste (neven)werkzaamheden te verrichten, terwijl het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming juist één van de gronden was waarop het strafontslag in 2004 was gebaseerd. Appellant had dus de hem opgedragen werkzaamheden op 15 januari 2007 onvoorwaardelijk dienen aan te vangen. Nu appellant dat niet heeft gedaan is er naar het oordeel van de Raad sprake van in strijd met de verplichtingen opzettelijk nalaten de dienst te verrichten. Zeker gelet op de reeds eerder gegeven sommaties heeft de minister terecht met toepassing van artikel 14 van het ARAR de betaling van bezoldiging over de periode 15 januari 2007 tot 26 februari 2007 gestaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7141 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 oktober 2008, 07/1773 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Financiën als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.B. Honders en mr. M.J. Populiers, beiden werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de staatssecretaris van Financiën.

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was sinds 1998 werkzaam als controller bij de Belastingdienst. Bij besluit van 18 oktober 2004, gehandhaafd bij besluit van 7 november 2005, is hij met ingang van 20 oktober 2004 ontslagen wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Laatstgenoemd besluit is bij uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 april 2006 vernietigd met opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen.

Tegen die uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld bij de Raad.

1.3. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de minister op 18 augustus 2006 onder meer besloten, onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep, het ontslag-besluit van 18 oktober 2004 te herroepen en appellant wegens ditzelfde plichtsverzuim de straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen, met een proeftijd van drie jaar. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Op 27 november 2006 is appellant een passende functie aangeboden bij de Belasting-dienst in Apeldoorn; appellant diende zich op 4 december 2006 aldaar te melden. Appellant heeft in een gesprek op 4 december 2006 diverse knelpunten genoemd die zouden moeten worden opgelost alvorens aan te vangen met de aangeboden functie. Met name wenste appellant in afwachting van de uitkomst van de hoger beroepsprocedure de (neven)werkzaamheden die hij verrichtte te continueren.

1.5. Bij brief van 11 december 2006 is appellant, onder dreiging met stopzetting van salaris en andere rechtspositionele gevolgen, gesommeerd om op 12 december 2006 met zijn werkzaamheden aan te vangen. Appellant heeft die sommatie genegeerd.

1.6. Bij brief van 18 december 2006 is appellant in de gelegenheid gesteld om duidelijk te maken welke nevenwerkzaamheden hij uitoefent, zodat deze kunnen worden getoetst. Appellant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Als alternatief is voorgesteld dat appellant buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging wordt verleend in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Appellant heeft ook dit voorstel niet aanvaard.

1.7. Nadat appellant ook een sommatie, onder dreiging van stopzetting van salaris, om op 8 januari 2007 met de werkzaamheden aan te vangen en een opdracht om de werkzaamheden op 15 januari 2007 aan te vangen had genegeerd, heeft de minister bij primair besluit van 18 januari 2007 besloten de bezoldiging van appellant met ingang van 15 januari 2007 stop te zetten op grond van artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.8. Op 5 februari 2007 heeft appellant te kennen gegeven (niet eerder dan) op 26 februari 2007 te kunnen komen werken.

Op 26 februari 2007 is appellant inderdaad op het werk verschenen maar in verband met een inmiddels gestart disciplinair onderzoek naar huis gestuurd. Bij beslissing van 29 maart 2007 heeft de minister aan appellant kenbaar gemaakt dat zijn salarisaanspraak per 26 februari 2007 herleeft.

1.9. Bij het thans in geding zijnde besluit van 30 augustus 2007 heeft de minister na bezwaar, het besluit tot stopzetting van bezoldiging per 15 januari 2007 gehandhaafd. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.10. Bij uitspraak van deze Raad van 29 november 2007 is de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 april 2006 vernietigd en is het beroep van betrokkene tegen het ontslagbesluit alsnog ongegrond verklaard.

2. De rechtbank Zutphen heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant had ingesteld tegen het besluit van 30 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat als gevolg van de hiervoor genoemde uitspraak van deze Raad van 29 november 2007 niet alleen de grondslag aan het nieuwe (voorwaardelijke) ontslagbesluit is komen te vervallen, maar ook aan de nadere besluiten die verband houden met de voortzetting van de aanstelling/tewerkstelling. Door de uitkomst van het hoger beroep wordt het aan appellant gegeven onvoorwaardelijk ontslag alsnog geacht rechtmatig te zijn verleend ingaande 20 oktober 2004. Daarmee is volgens de rechtbank het procesbelang van appellant bij verdere behandeling van het ingestelde beroep komen te vervallen. Appellant heeft immers niet gewerkt in de aan de orde zijnde periode en kan wegens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geen enkel recht meer doen gelden op salaris.

3. Appellant heeft in hoger beroep bestreden dat hij geen procesbelang meer zou hebben. De dienstbetrekking was sinds 18 augustus 2006 weer hersteld en die periode is volgens appellant niet uitwisbaar. Hij was tussen 15 januari 2007 en 26 februari 2007 beschikbaar voor werk en had geen andere inkomsten. Hij wilde echter eerst duidelijkheid krijgen dat hij niet nogmaals geconfronteerd zou worden met een tenlastelegging in verband met verboden werkzaamheden over de periode dat hij uit dienst was, maar naar later bleek door de uitspraak van de rechtbank wel weer in dienst was.

De minister heeft zich aangesloten bij de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In artikel 14 van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging ontvangt.

4.2. Naar uit het voorgaande blijkt heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank - onder voorbehoud van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep - bij besluit van 18 augustus 2006 het ontslagbesluit van 18 oktober 2004 herroepen en heeft hij appellant per 4 december 2006 een passende functie opgedragen.

Door de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank door deze Raad is aan die besluiten van de minister weliswaar de grondslag ontvallen, maar dit betekent niet dat appellant geen aanspraak zou hebben op bezoldiging over periodes waarin daadwerkelijk is gewerkt. In dat geval is de minister immers door de verrichte arbeid gebaat.

Naar het oordeel van de Raad kan appellant niet het procesbelang worden ontzegd bij beoordeling van de vraag of hij in de periode 15 januari 2007 tot 26 februari 2007 al dan niet aanspraak heeft op bezoldiging. Er is in die periode feitelijk sprake geweest van een dienstverband en appellant heeft aangevoerd dat hij in die periode beschikbaar was voor werk en dat hem niet kan worden aangerekend dat hij feitelijk niet heeft gewerkt. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard.

4.3. Met het oog op finale geschilbeslechting en gelet op de wens van partijen zal de Raad het geding niet terugwijzen naar de rechtbank maar zelf beoordelen of de minister terecht de bezoldiging van appellant heeft ingehouden over de periode 15 januari 2007 tot 26 februari 2007.

4.4. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Naar uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt heeft de minister appellant de gelegenheid gegeven om de (neven)werkzaamheden die hij na het strafontslag was gaan, c.q. was blijven verrichten, te laten toetsen op verenigbaarheid met de op 27 november 2006 weer opgedragen werkzaamheden van controller bij de Belastingdienst. Appellant heeft echter geen opening van zaken willen verschaffen over zijn werkzaamheden. Als alternatief heeft de minister appellant aangeboden om hem in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep onbetaald buitengewoon verlof te verlenen. Ook op dat voorstel is appellant niet ingegaan. Appellant heeft vanaf de (voorwaardelijke) herroeping van het strafontslag bij besluit van 18 augustus 2006 de gelegenheid gehad om met de dienst onverenigbare (neven)werkzaamheden af te bouwen. Appellant heeft moeten beseffen dat van de minister niet kan worden verwacht dat hij appellant toestond ongetoetste (neven)werkzaamheden te verrichten, terwijl het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming juist één van de gronden was waarop het strafontslag in 2004 was gebaseerd. Appellant had dus de hem opgedragen werkzaamheden op 15 januari 2007 onvoorwaardelijk dienen aan te vangen. Nu appellant dat niet heeft gedaan is er naar het oordeel van de Raad sprake van in strijd met de verplichtingen opzettelijk nalaten de dienst te verrichten. Zeker gelet op de reeds eerder gegeven sommaties heeft de minister terecht met toepassing van artikel 14 van het ARAR de betaling van bezoldiging over de periode 15 januari 2007 tot 26 februari 2007 gestaakt. Het beroep van appellant dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD