Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
09-3768 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Schadevergoeding van € 500,- toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3768 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

het College van bestuur van de Stichting AVOO als rechtsopvolger van de Bestuurscommissie Openbaar Voortgezet Onderwijs (hierna: college van bestuur)

Datum uitspraak: 27 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 februari 2007, 05/2060, in het geding tussen betrokkene en het college van bestuur.

Bij uitspraak van 16 juli 2009, LJN BJ4368, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

De meervoudige kamer heeft vervolgens de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

II. OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 16 juli 2009 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het college van bestuur van het bezwaarschrift van 20 januari 2005 tot de datum waarop uitspraak wordt gedaan bijna vier jaar en zeven maanden zijn verstreken en dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn is overschreden.

2. Het college van bestuur heeft erkend de redelijke termijn te hebben overschreden, maar heeft betoogd dat tijdens de behandeling van het bezwaar zeventien weken zijn verstreken door overmacht dan wel door de processuele handelwijze van appellant. Die overmacht is gelegen in de bij CAO verplicht gestelde externe Landelijke bezwarencommissie, waardoor de bezwaarfase met een duur van ruime drie maanden wordt verlengd en een aan appellant verleend uitstel van drie weken voor het indienen van de gronden in bezwaar. Het college van bestuur heeft verzocht om het verzoek af te wijzen dan wel een toe te kennen schadevergoeding op een lager bedrag vast te stellen.

3. Betrokkene heeft gemotiveerd gereageerd op het verweer van het college van bestuur, onder handhaving van zijn verzoek om schadevergoeding.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.2. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin heeft de Raad overwogen dat in een procedure in drie instanties als hier in geding het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 4.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingstermijnen gerechtvaardigd te achten.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.3. De behandeling van het bezwaar heeft ruim negen maanden in beslag genomen, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden. De Raad acht een langere behandelingsduur van het bezwaar als gevolg van de inschakeling van een externe bezwarencommissie, zoals door het college van bestuur gesteld, geen rechtvaardigingsgrond voor overschrijding van de redelijke termijn. De behandelingstermijnen die ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelden voor de bestuurlijke fase, bieden in het algemeen voldoende ruimte voor het normale verloop van een proces, waaronder begrepen de inschakeling van een bezwarenadviescommissie en het verlenen van kortdurend uitstel voor het indienen van gronden.

In de omstandigheden van het geval ziet de Raad derhalve geen aanleiding de redelijke termijn op meer dan een half jaar te stellen. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college van bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in deze schadestaatprocedure en deze proceskosten te bepalen op € 322,- x 0,5 = 161,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het college van bestuur tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,-;

Veroordeelt het college van bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-;

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD