Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-6845 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6845 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2009, 08/1009 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 25 februari 2010 nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 20 april 2010 zijn namens appellant nadere stukken toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010 waar voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, uitgevallen voor zijn werk als portier wegens psychische klachten, heeft met ingang van 4 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 1 augustus 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en appellant heeft tegen het desbetreffende besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 9 mei 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 3 juli 2003 ingetrokken. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 oktober 2003 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 oktober 2005, het door appellant ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 oktober 2003 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

1.4. Bij uitspraak van 26 oktober 2007, LJN BB6659, heeft de Raad - de uitspraak van de rechtbank vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt met inachtneming van zijn uitspraak. Deze uitspraak berust op de overwegingen dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de besluitvorming niet heeft plaatsgevonden door een als verzekeringsarts geregistreerde arts.

1.5. Het Uwv heeft aan deze uitspraak gevolg gegeven bij zijn besluit van 19 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van appellant wederom ongegrond is verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van appellant - nadat de zaak opnieuw ter zitting was behandeld op 5 oktober 2009 - ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag. Geconstateerd is dat met het onderzoek door bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan het eerder door de Raad gesignaleerde gebrek is hersteld. Voorts is overwogen dat er sprake is van een lichte depressieve stoornis. Vastgesteld is dat in 2001 een urenbeperking van 20 uur per week is toegekend en dat in het rapport van 8 februari 2008 bezwaarverzekeringsarts Tan op goede gronden heeft uiteengezet dat deze urenbeperking slechts als tijdelijk was bedoeld, met het oog op de re-integratie van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven dat in 2003 geen sprake (meer) was van een diagnose of van energetische beperkingen die moeten leiden tot een urenbeperking. Dat appellant destijds niet in arbeid is gereïntegreerd, is voor de onderhavige beoordeling niet van doorslaggevend belang geacht. Gelet op de door appellant aangevoerde gronden heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat hij per 3 juli 2003 geen voltijdse arbeid kon verrichten. Zijn gezondheidssituatie voor en na die datum was immers hetzelfde. Hij stond onder behandeling van een psychiater en had jarenlang dezelfde medicijnen. Tevens waren er hernia-achtige klachten.Volgens appellant had er om die reden op de datum in geding nog sprake moeten zijn van een urenbeperking.

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat met de klachten van appellant voldoende rekening is gehouden. Appellant heeft dezelfde gronden als in beroep aangevoerd en de bezwaarverzekeringsarts heeft afdoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking meer aangewezen is.

5. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad zijn voldoende gegevens aanwezig op basis waarvan tot een verantwoord oordeel kan worden gekomen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, met name ten aanzien van het ontbreken van de noodzaak tot het stellen van een urenbeperking. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht de intrekking van de WAO-uitkering van appellant per 3 juli 2003 heeft gehandhaafd.

6. De Raad geen acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

EF