Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-13 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding op de ZW-uitkering. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft terecht getoetst aan de norm of het Uwv met zijn betalingsbeslissingen is gebleven binnen de grenzen van de onder hem gelegde beslagen. Zoals de Raad vaker te kennen heeft gegeven (onder meer in zijn uitspraak van 31 juli 2002, LJN AE6792), komt het er op neer dat de beslagdebiteur (hier: appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan voorleggen aan de burgerlijke rechter en dat de derde-beslagene (hier: het Uwv) gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. De omstandigheid dat in het voorliggende geval meerdere beslagleggers waren en de ene beslaglegger een lagere beslagvrije voet heeft gehanteerd dan de andere beslagleggers, maakt niet dat op dit punt tot een ander oordeel wordt gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/13 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], thans wonende te [woonplaats] (Thailand), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 december 2008, 08/784 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder het Uwv zijn derdenbeslagen gelegd op de aan appellant toegekende uitkering krachtens de Ziektewet (ZW):

- met ingang van 27 november 2007 een beslag op verzoek van de gemeente Roerdalen, waarbij een beslagvrije voet wordt gehanteerd van € 785,11 per maand;

- met ingang van 4 december 2007 een beslag op verzoek van de gemeente Kerkrade, waarbij een beslagvrije voet wordt gehanteerd van € 942,92 per maand, en

- met ingang van 29 januari 2008 een beslag op verzoek van de gemeente Heerlen, waarbij een beslagvrije voet wordt gehanteerd van € 945,81 per maand.

1.2. De vordering van de gemeente Kerkrade was preferent, hetgeen meebracht dat het Uwv het deel van de ZW-uitkering dat de beslagvrije voet van € 942,92 te boven ging, heeft uitbetaald aan de gemeente Kerkrade, en het deel van de ZW-uitkering dat vervolgens nog de beslagvrije voet van € 785,11 te boven ging, heeft uitbetaald aan de gemeente Roerdalen door tussenkomst van deurwaarderskantoor Adactio.

1.3. Bij brief van 14 januari 2008 heeft de gemeente Kerkrade het Uwv meegedeeld dat met ingang van de eerst komende betaling rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet van € 847,40 per maand. Bij brief van 29 januari 2008 heeft deze gemeente het Uwv meegedeeld dat met ingang van de eerst komende betaling rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet van € 945,81 per maand. Bij brief van 12 februari 2008 heeft Adactio aan appellant meegedeeld dat het Uwv te kennen is gegeven dat de beslagvrije voet met onmiddellijke ingang dient te worden gesteld op € 945,81 per maand.

1.4. Het Uwv heeft bij een brief van 13 februari 2008 en twee brieven van 14 februari 2008 appellant meegedeeld dat de inhouding op de ZW-uitkering van appellant wordt aangepast. Wat de inhouding ten behoeve van de gemeente Kerkrade betreft, blijft met ingang van 10 december 2007 een beslagvrije voet van € 942,92 per maand gehanteerd en wordt met ingang van 4 februari 2008 een beslagvrije voet gehanteerd van € 945,81 per maand. Wat de inhouding ten behoeve van de gemeente Roerdalen betreft, wordt met ingang van 11 februari 2008 een beslagvrije voet gehanteerd van € 945,81 per maand.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de bij de brieven van 13 en 14 februari 2008 meegedeelde inhoudingen op de betaling aan hem van zijn ZW-uitkering vanaf 19 december 2007. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij voor verweerder dient te worden gelezen het Uwv en voor eiser appellant:

“Uit bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder andere LJN: BA4248) kan worden afgeleid dat verweerder gehouden is medewerking te verlenen aan het beslag en dat het niet op zijn weg ligt de geldigheid van dat beslag te beoordelen. Dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Het is evenmin aan de bestuursrechter die geldigheid te beoordelen. Hij dient daarom bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als hier aan de orde (de geldigheid van) het gelegde beslag als een gegeven te beschouwen. Verweerder kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid door geen nader onderzoek te doen naar de beslagvrije voet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat hij met zijn betalingsbeslissingen is gebleven binnen de grenzen van het door Adactio Gerechtsdeurwaarders en de gemeenten Kerkrade en Heerlen op eisers ZW-uitkering gelegde beslag.”

4. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat het Uwv in zijn geval niet had mogen volstaan met het verlenen van medewerking aan de gelegde beslagen maar ook nader onderzoek had moeten doen, omdat er meerdere beslagen waren gelegd waarbij de ene beslaglegger een lagere beslagvrije voet heeft gehanteerd dan de andere beslagleggers.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft terecht getoetst aan de norm of het Uwv met zijn betalingsbeslissingen is gebleven binnen de grenzen van de onder hem gelegde beslagen. Zoals de Raad vaker te kennen heeft gegeven (onder meer in zijn uitspraak van 31 juli 2002, LJN AE6792), komt het er op neer dat de beslagdebiteur (hier: appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan voorleggen aan de burgerlijke rechter en dat de derde-beslagene (hier: het Uwv) gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. De omstandigheid dat in het voorliggende geval meerdere beslagleggers waren en de ene beslaglegger een lagere beslagvrije voet heeft gehanteerd dan de andere beslagleggers, maakt niet dat op dit punt tot een ander oordeel wordt gekomen.

5.2. Uit het overwogene onder 5.1 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant geen doel treft.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

KR