Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
10-2233 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening: geen spoedeisend belang. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De omstandigheid dat verzoeker (het College) meerdere zaken in behandeling heeft betreffende afkoop van pensioenen voor het vijfenzestigste levensjaar maakt dat niet anders. Niet aannemelijk is gemaakt dat uitvoering van de aangevallen uitspraak voor verzoeker(s organisatie) onoverkomelijke organisatorische en financiële problemen zal opleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2233 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 maart 2010, 09/1462, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene), wonende te Maastricht

en

verzoeker.

Datum uitspraak: 1 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1952, ontvangt sinds 8 februari 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van signalen van het inlichtingenbureau heeft verzoeker een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Uit dit onderzoek is gebleken dat betrokkene in verband met de afkoop van zijn pensioen over de periode van 1 september tot en met 30 september 2008 een bedrag van € 757,70 netto (hierna: afkoopsom) heeft ontvangen van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid. De ontvangst van deze afkoopsom heeft hij niet aan verzoeker gemeld.

1.3. Bij besluit van 22 april 2009 heeft verzoeker de bijstand van betrokkene herzien over de periode van 1 september 2008 tot en met 30 september 2008 en de kosten van bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 951,58 bruto.

1.4. Bij besluit van 17 juli 2009 heeft verzoeker het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat de door betrokkene ontvangen afkoopsom aangemerkt moet worden als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. Door van de ontvangst van de afkoopsom geen melding te maken aan verzoeker heeft betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor hem ten onrechte bijstand is verleend.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 17 juli 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat verzoeker de ontvangen afkoopsom ten onrechte als inkomen in aanmerking heeft genomen. Volgens de rechtbank moet de afkoopsom aangemerkt worden als vermogen waarover betrokkene had kunnen beschikken. Verzoeker had dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand eerst moeten vaststellen of door de ontvangst van de afkoopsom het (bij de aanvang van de bijstand vastgestelde) bedrag van vermogensvrijstelling werd overschreden.

2. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak tot op het hoger beroep is beslist.

3. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

3.3. Verzoeker heeft aangevoerd dat er een spoedeisend belang is, omdat de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 26 maart 2010, 09/2008, in een soortgelijke zaak een gelijkluidende uitspraak heeft gedaan. Tevens heeft verzoeker nog een aantal zaken in behandeling betreffende afkoop van pensioenen voor het vijfenzestigste levensjaar, waarin nog een primair besluit genomen dient te worden. Verzoeker acht een finale uitspraak spoedeisend en noodzakelijk ten behoeve van een eenduidige rechtsopvatting.

3.3. De voorzieningenrechter ziet hierin geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd.

3.4. De omstandigheid dat verzoeker meerdere zaken in behandeling heeft betreffende afkoop van pensioenen voor het vijfenzestigste levensjaar maakt dat niet anders. Voor zover de door verzoeker bestreden overwegingen van de rechtbank betekenis hebben voor de door verzoeker te behandelen zaken van andere personen dan betrokkene, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat uitvoering van de aangevallen uitspraak voor verzoeker(s organisatie) onoverkomelijke organisatorische en financiële problemen zal opleveren. Verzoeker heeft slechts meegedeeld dat hij een “aantal zaken” betreffende afkoop van pensioenen voor het vijfenzestigste levensjaar in behandeling heeft. Niet duidelijk is gemaakt om hoeveel zaken het gaat en hoe groot de mogelijke financiële gevolgen zullen zijn.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.

4. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.M. Okyay-Bloem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

AV