Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM7267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09-3163 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om appellante toe te laten tot de Regeling chronisch zieken en gehandicapten en weigering om bijzondere bijstand toe te kennen voor de meerkosten van kledingslijtage, energie- en waterverbruik en waspoeder en voor saunakosten. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt: er is geen sprake van een expliciete, ondubbelzinnige, schriftelijke toezegging van het College dat appellante tot de doelgroep van de Regeling werd gerekend. Beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt: Er zijn onvoldoende gegevens over de problematiek van de broer van appellante. De Raad is van oordeel dat het College het advies van de GGD, voor zover dit inhoudt dat er bij een behandeling van appellante een gerede kans bestaat dat de ervaren klachten grotendeels of geheel zullen zijn opgelost, niet zonder nader onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Daarnaast is de Raad van oordeel dat de GGD bij de beoordeling van de noodzaak van de kosten onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3163 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te Amsterdam (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2009, 08/3269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Voor appellante is mr. Vreeswijk verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Bensoussan, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het College aan appellante over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2007 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 83,34 per maand voor de volgende kosten:

-meerkosten van energieverbruik;

-telefoonkosten;

-eigen bijdrage voor de thuiszorg;

-kosten van zwemmen.

1.2. Appellante heeft na het verstrijken van deze periode op 27 december 2007 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de onder 1.1 vermelde kosten en voor de volgende kosten:

-meerkosten van bewassing en kosten van kledingslijtage;

-vervoerskosten van appellante zelf en van een reisgenoot;

-saunakosten;

-maaltijdvoorziening;

-eigen bijdrage voor psychotherapie;

-meerkosten van watergebruik.

1.3. Het College heeft in verband met de aanvraag aan de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (hierna: GGD) het verzoek gedaan om te beoordelen of appellante behoort tot de doelgroep van de gemeentelijke Regeling chronisch zieken en gehandicapten (hierna: de Regeling). Voorts heeft het College de GGD verzocht om een advies uit te brengen over onder andere de noodzaak van de kosten voor appellante.

1.4. Op 28 februari 2008 heeft de GGD advies uitgebracht. Volgens het advies behoort appellante niet tot de doelgroep van de Regeling omdat uit het onderzoek is gebleken dat bij appellante sprake is van een psychiatrische aandoening die voor behandeling in aanmerking komt. Deze behandeling, waarvoor appellante is uitgenodigd, wordt door de ziektekostenverzekeraar vergoed. Indien appellante zich laat behandelen, bestaat er een gerede kans dat de ervaren klachten grotendeels of geheel zullen zijn opgelost. De GGD heeft voorts geadviseerd om de aanvraag om bijzondere bijstand voor de meerkosten van bewassing, kledingslijtage, energie- en waterverbruik en waspoeder en voor saunakosten wegens het ontbreken van een medische noodzaak af te wijzen. Na behandeling van de psychische problematiek zal van een overmatig gebruik van water, waspoeder en energie geen sprake meer zijn. De GGD heeft verder geadviseerd de aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen vervoerskosten en de eigen bijdrage voor psychotherapie af te wijzen, nu de Wet maatschappelijke ondersteuning en de ziektekostenverzekering daarvoor de voorliggende voorzieningen zijn. Voorts heeft de GGD geadviseerd de aanvraag om bijzondere bijstand voor de overige onder 1.1 en 1.2 genoemde kosten af te wijzen omdat ook voor deze kosten de medische noodzaak ontbreekt. In het advies wordt opgemerkt dat het te overwegen valt om de bijzondere bijstand die appellante ontving niet abrupt stop te zetten, maar bijvoorbeeld in een tijdsspanne van drie maanden. Volgens het advies heeft het onderzoek bestaan uit een gesprek op 27 februari 2008 met appellante en haar broer, telefonisch contact met haar huisarts en raadpleging van het GGD-dossier vanaf 1999, een brief van AMC de Meren (een instantie voor geestelijke gezondheidszorg) van 29 juni 2006 en een brief van haar huisarts van 10 juli 2006.

1.5. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen onder verwijzing naar het advies van de GGD.

1.6. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard en besloten aan appellante over de periode van 1 november 2008 (lees: 2007) tot en met 31 januari 2008 bijzondere bijstand tot een bedrag van € 83,34 per maand te verlenen. Voor het overige heeft het College het besluit van 11 maart 2008 gehandhaafd en daarbij overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het advies van de GGD.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat het advies van de GGD, inhoudende dat appellante niet tot de doelgroep van de Regeling behoort omdat bij haar sprake is van een psychiatrische aandoening die voor behandeling in aanmerking komt, niet zorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Daarnaast kan volgens de rechtbank het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel, inhoudende dat haar broer dezelfde aandoening heeft en wel bijzondere bijstand ontvangt, niet slagen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellante er niet op heeft mogen vertrouwen dat zij bijzondere bijstand zou blijven ontvangen totdat zij genezen is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat in geschil is enerzijds de weigering van het College om appellante toe te laten tot de Regeling en anderzijds de weigering van het College om bijzondere bijstand toe te kennen voor de meerkosten van kledingslijtage, energie- en waterverbruik en waspoeder en voor saunakosten.

4.2. De weigering appellante toe te laten tot de Regeling.

4.2.1. De Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier in geding, is vastgelegd in paragraaf 9.4.5 van de gemeentelijke Werkvoorschriften. Volgens deze paragraaf is de Regeling vastgesteld in het kader van het armoedebeleid van de gemeente Amsterdam en bedoeld voor onder meer mensen met een chronische psychische aandoening. De Regeling maakt het mogelijk om bijzondere bijstand toe te kennen voor een langere periode, zonder dat voor de verlenging jaarlijks een aanvraag en een advies van de GGD nodig is. De GGD beoordeelt of een aanvrager behoort tot de doelgroep van de Regeling. Degenen die tot deze doelgroep behoren, ontvangen forfaitaire vergoedingen voor de (meer)kosten die zij in verband met hun chronische ziekte of handicap hebben moeten maken, verhoogd met 40%.

4.2.2. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken dat het advies van de GGD, voor zover dit inhoudt dat appellante niet tot de doelgroep van de Regeling behoort omdat de psychiatrische aandoening voor behandeling in aanmerking komt, onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Het betoog van appellante dat de behandelingen tot dusverre niet hebben geholpen, slaagt naar het oordeel van de Raad in dit verband niet. Met name hecht de Raad daarbij betekenis aan de brief van AMC de Meren van 29 juni 2006 waarin onder andere wordt medegedeeld dat appellante daar onder behandeling is en dat wordt gezocht naar een klinische behandelmogelijkheid voor haar. Het beroep van appellante op de bevindingen van een belastbaarheidsonderzoek, neergelegd in een rapport van 25 december 2008, waarin de conclusie wordt getrokken dat appellante blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, slaagt naar het oordeel van de Raad evenmin. Bij een dergelijk onderzoek liggen immers andere vragen voor dan hier aan de orde.

4.2.3. Voor zover appellante met haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen betogen dat zij erop mocht vertrouwen onder de Regeling te vallen, omdat zij over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2007 bijzondere bijstand voor een aantal kostenposten heeft ontvangen, slaagt dit betoog niet. Uit de gedingstukken blijkt namelijk niet dat er sprake is geweest van een expliciete, ondubbelzinnige, schriftelijke toezegging van het College dat appellante tot de doelgroep van de Regeling werd gerekend.

4.2.4. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel, in het kader waarvan zij naar voren heeft gebracht dat haar broer dezelfde chronische psychische aandoening heeft als appellante, slaagt evenmin, reeds omdat de gedingstukken onvoldoende gegevens bevatten over de problematiek van de broer van appellante en aldus onvoldoende is gebleken dat sprake is van gelijke gevallen.

4.3. De weigering bijzondere bijstand toe te kennen voor de onder 1.1 genoemde kostenposten.

4.3.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 juli 2008 ligt het onder 1.4 omschreven GGD-advies van 28 februari 2008 ten grondslag. Wat betreft de stelling van appellante dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, stelt de Raad voorop dat volgens zijn vaste rechtspraak het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Indien, zoals in dit geval, voor het vaststellen van die feiten mede gebruik wordt gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, kan het zich laten adviseren door daartoe in te schakelen deskundigen. Het ligt dan echter op de weg van het bestuursorgaan dat van het advies gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat dit advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld.

4.3.3. De Raad is van oordeel dat het College het advies van de GGD, voor zover dit inhoudt dat er bij een behandeling van appellante een gerede kans bestaat dat de ervaren klachten grotendeels of geheel zullen zijn opgelost, niet zonder nader onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. De stukken die aan het advies ten grondslag liggen, geven naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun voor de conclusie dat de psychische problematiek van appellante na behandeling zal zijn verholpen. Het had naar het oordeel van de Raad dan ook op de weg van het College gelegen om nadere informatie bij AMC de Meren in te winnen over de kans van slagen van behandeling, nu appellante daar onder behandeling was.

4.3.4. Daarnaast is de Raad van oordeel dat de GGD bij de beoordeling van de noodzaak van de kosten onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. De GGD heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kosten vanaf het moment van indiening van de aanvraag om bijzondere bijstand noodzakelijk waren. Voorts heeft de GGD ten onrechte niet beoordeeld of het maken van de kosten, uitgaande van de op dat moment bij haar bestaande psychische problematiek, noodzakelijk was om haar klachten te verminderen of weg te nemen. Een vergelijking met iemand die de psychische problematiek niet heeft, is daarbij niet aan de orde.

4.3.5. Uit hetgeen onder 4.3.3 en 4.3.4 is overwogen volgt dat het besluit van 10 juli 2008 niet op een zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten berust en onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit komt daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Ook de aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellante gegrond verklaren, het besluit van 10 juli 2008 in de aangegeven zin vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad nog dat voor zover appellante met haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen betogen dat zij er, gelet op het besluit van 6 juni 2007, op mocht vertrouwen dat haar ook na 31 januari 2008 bijzondere bijstand zou worden verleend, dit betoog niet slaagt. Uit de gedingstukken blijkt namelijk niet dat er sprake is geweest van een expliciete, ondubbelzinnige, schriftelijke toezegging van het College dat appellante ook na de in het besluit van 6 juni 2007 vermelde periode bijzondere bijstand voor de in dat besluit genoemde kostenposten zou blijven ontvangen.

4.7. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 juli 2008, voor zover het betrekking heeft op de weigering bijstand toe te kennen voor de meerkosten van kledingslijtage, energie- en waterverbruik en waspoeder en voor saunakosten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.M. van Gorkum.

AV